Bekijk het origineel

Herman Bavinck en zijn tijdgenoten (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Herman Bavinck en zijn tijdgenoten (II)

9 minuten leestijd

Na de vereniging in 1892 hadden de verenigde kerken twee opleidingsinstituten voor dienaar des Woords, namelijk die te Kampen, de Theologische School van de oude Chr. Geref. Kerk, en de Theologische fakulteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam, waar de predikanten van de Dolerende kerken werden opgeleid. Reeds vóór de vereniging was er over gesproken hoe dit bij ineensmelting van de kerken moest geregeld worden.
Op de synode van de Chr. Geref. Kerk te Assen (1888) werd een voorstel van Bavinck, dat over dit punt de verenigde kerken moesten beslissen en de opleiding voorlopig op de oude voet kon doorgaan (dus zowel aan de Theologische School als aan de Vrije Universiteit), verworpen en een voorstel van Andel aangenomen, dat in geen geval het beginsel worde prijsgegeven, dat de Kerk haar eigen inrichting tot opleiding harer leraren hebbe. De theologische fakulteit aan de V.U. ging en gaat niet uit van de Kerk, maar van een vereniging, namelijk de vereniging voor Hoger (thans: Wetenschappelijk) Onderwijs op gereformeerde grondslag. De chr. gereformeerden hadden op dit punt een andere gedachte en tussen 1888 en 1892 werd de dolerenden door hen steeds weer duidelijk gemaakt, dat zij de positie van de Theologische School na een eventuele vereniging niet zouden prijsgeven.
Toen Kuyper en de zijnen begrepen, dat heel de kwestie van de Theologische School een verhindering zou kunnen zijn voor de vereniging lieten zij dit hete hangijzer voorlopig rusten. Maar na de vereniging moest dit punt onvermijdelijk aan de orde komen. De dolerenden hielden vast aan hun Theologische fakulteit en de chr. gereformeerden aan hun Theologische School. Hier stonden zelfs twee beginselen tegenover elkaar. De laatsten hielden vast aan het beginsel dat de opleiding tot dienaar des Woords moet geschieden voor de kerk door de kerk, de eersten dat de wetenschappelijke bestudering van de theologie geen zaak van de kerk, maar van de universiteit is. Kuyper heeft dit standpunt duidelijk omschreven in zijn magistraal driedelig werk „Encyclopedie van de Heilige Godgeleerdheid".
Kuyper maakt onderscheid tussen theologie als kennis van God en theologie als wetenschap. Deze laatste is volgens hem geen taak van de kerk. Geen enkele wetenschap behoort uit te gaan van de kerk, ook de theologische niet. Daarmee ontkent hij niet dat in tijden van nood kerkelijke kweekscholen kunnen worden opgericht om bij ontstentenis van universitair onderwijs te voorzien in een behoefte om ongeoefende personen op te leiden tot dienaren des Woords, maar van een wetenschappelijke beoefening van de theologie kan dan geen sprake zijn. Duidelijk formuleert Kuyper, dat wanneer de theologie tot subjekt heeft de geïnstitueerde kerk, zij dan geen wetenschap is en als ze wetenschap is, dan kan de kerk als instituut haar subjekt niet zijn.
Het is duidelijk, dat dit tweeërlei standpunt van het begin af aan na de vereniging moeilijkheden zou brengen en om een oplossing zou vragen.
Reeds terstond bij de vereniging, werden deputaten benoemd, die voorstellen op de eerstkomende synode van de verenigde kerken inzake het punt van opleiding moesten doen. Bavinck, die ook tot dit deputaatschap behoorde, belastte zich met het ontwerpen van een conceptregeling. Reeds op 23 januari 1893 zond hij zijn ontwerp aan Kuyper toe.
Hij zette uiteen dat eenheid van opleiding gewenst was. Bestendiging van de huidige situatie leidde tot geldverspilling en versnippering van de beschikbare wetenschappelijke krachten. Bovendien veroorzaakte ze richtingsverschil in de verenigde kerken.
In de tweede plaats trachtte hij de twee „onverzoenbare beginselen" te verenigen. Allereerst betoogde hij, dat de theologie een heilige wetenschap is die uit de Schrift voortkomt. ,,Die Schrift nu is niet uitsluitend maar dan toch in de eerste plaats aan de gemeente van Christus gegeven". Vandaar dat aan de kerk het jus docendi (het recht om te onderwijzen toekomt.
Tegelijk echter staat de theologie in verband met het geheel van onze menselijke kennis. Alle wetenschappen hebben de Heilige Schrift nodig „en dus ook de voorlichting der theologie". De gereformeerde beginselen eisen daarom, „dat de theologie niet in een seminarie worde opgesloten, maar ook met alle wetenschappen in organisch verband trede en aan de universiteit een eigen plaats inneme".
Bavinck wilde de beide inrichtingen van theologisch onderwijs samenvoegen, zó, dat de hoogleraren van het nieuw te vormen instituut door de kerken en door de Vereniging voor Hoger Onderwijs werden benoemd.
Op de synode van Dordrecht (1893) ontmoette dit voorstel van de zijde van de A-broeders felle tegenstand. Ook de B-broeders waren er niet gelukkig mee en zo bleef de zaak voorlopig rusten.
Felle tegenstand ontmoette Bavinck bij zijn Kamper kollega Lindeboom en bij ds. T. Bos, predikant te Bedum. Zij vreesden verlies van het oude beginsel der scheiding.
De synode van Middelburg (1896) bracht wel een reorganisatie in het onderwijs aan de Theologische School, maar liet de kwestie van de unifikatie van het onderwijs rusten.
In 1899 kwam Bavinck in een brochure op deze zaak terug. Hem stond voor ogen een verplaatsing van de Theologische School naar een plaats in de buurt van Amsterdam, b.v. Haarlem. Aan haar zouden dan alle hoogleraren van de theologische fakulteit van de V.U. moeten worden verzorgd door 5 kuratoren (door de Generale Synode benoemd) en 5 direkteuren voor de financiën. Ook deze laatsten door de synode benoemd. De kerken zouden dan aan de direkteuren van de V.V. verzoeken „de Hogeschool vanwege de kerken gesticht te beschouwen en te erkennen als Theol. Fac. van de Vrije Universiteit met gelijke rang en eere als de andere faculteiten".
Het is duidelijk dat Bavinck naar een compromis zocht. Eigenlijk kwam zijn oplossing van de moeilijkheden hierop neer dat de Theologische School de plaats zou innemen van de theol. faculteit aan de V.U.
Het spreekt vanzelf, dat dit op tegenstand stuitte. Kuyper liet in een briefwisseling zijn afwijzen voorzichtig, maar duidelijk voelen. De belangstellende kan dit bij Bremmer uitvoerig nalezen. Van dolerende zijde meende men dat bij realisering van de gedachte-Bavinck het oude standpunt van de chr. gereformeerden zou hebben gezegevierd en zij de nederlaag zouden hebben geleden. Bij een kompromis behoort aan beide zijden offers te worden gebracht. Kuyper schreef in „De Heraut": ,,Hier daarentegen is voldaanheid bij de ééne richting, en klimmende ongerustheid bij de andere".
Bij de A-Broeders was er verdeeldheid. Ds Bos, die in een vroegere periode een van Bavincks sterkste tegenstanders was, bood nu krachtige steun. Hij meende dat bij de unifikatie van onderwijs tweeërlei belang diende in rekening te worden gebracht: dat van de kerk en van de universiteit. Dat Bavinck het belang van de kerk op het oog had kon volgens hem niet worden ontkend.
Anderen zagen in het voorstel gevaar voor de School.
De G.S. van Groningen (1899) verwierp een voorstel van Bavinck dat overeenkwam met wat hij in zijn brochure geschreven had. Dat dit geschieden zou was van te voren duidelijk. Daarbij kwam nog dat vóór de synode samenkwam dr. H.H. Kuyper tot hoogleraar werd benoemd aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit. Prof. Rutgers van de V.U. lichtte dit op de volgende wijze toe: ,,Er zou reden zijn geweest om deze benoeming uit te stellen, wanneer er kans ware geweest dat de Theol. School en de Theol. Faculteit spoedig verenigd zouden kunnen optreden. Maar de hoop, die er vorige jaren te dien aanzien bestaan kon, is in de laatste verlopen maanden belangrijk teruggezet, nu de kwestie aan de orde gesteld is, of men ook zal overgaan tot algehele opheffing van de Theol. Faculteit, om zich te bepalen tot een Kerkelijke Theol. Hogeschool, zij het ook dat de naam van Faculteit daaraan gegeven, zou worden. Zulk een besnoeiing (ongeveer gelijkstaand met het afbouwen van een levenstak, om dien te vervangen door den aangebonden tak van een boom op een andere wortel), zou een Gereformeerde Universiteit zich niet kunnen aandoen. Maar zolang er eene minderheid is, die blijft vasthouden aan het denkbeeld van een „eigen inrichting" in dien zin, dat zij het de roeping acht van de Kerken, en van deze alleen, de Theol. wetenschap te doen onderwijzen en beoefenen, en van eene Theol. Faculteit niet wil weten, tenzij alleen in naam - zolang is er niet te denken aan de zeer gewenste ineensmelting of vereniging, en zal dus de toestand, gelijk die in 1892 gevonden is, door de Kerken wel moeten worden bestendigd".
Deze woorden zijn overduidelijk. De dolerenden wisten wat het theol. onderwijs betreft van geen wijken. De standpunten bleven tegenover elkaar staan.
Op de synode van Arnhem (1902) werd een voorstel van Bavinck aangenomen.
Dit luidde: „De eenheid van opleiding is in dien weg te verkrijgen, dat de beide inrichtingen: de Theologische School der Kerken en de Theologische Fakulteit, verenigd worden tot eéne inrichting, die tegelijk de School der Kerken en de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit is".
Op de vraag van de voorzitter, ds H. Hoekstra, of de minderheid zich bij de meerderheid zou kunnen neerleggen, raadde ds Bos aan tot de uitvoering van het voorstel nog niet over te gaan. In een verwarde diskussie diende ds B. van Schelven toen een voorstel in, dat met 23 tegen 17 stemmen werd aangenomen, en dat in zijn konklusie luidde, dat men de vereniging van de Theol. School en de Theol. Fakulteit nog niet tot stand zou brengen, zo daaruit schadelijke gevolgen voor de rust en de vrede der kerken zouden kunnen voortvloeien.
Deze synode van Arnhem is nog altijd het klassieke voorbeeld, dat een synode een besluit kan nemen, zonder dat het wordt uitgevoerd.
Nu na meer dan zestig jaren bestaat de Theologische opleiding te Kampen nog en is zelfs tot twee geworden. In de tweeheid Kampen-Amsterdam heeft voor de toekomst in de verenigde kerken steeds een beginsel van splitsing gelegen, al is er na die tijd over de opheffing van Kampen nimmer meer gesproken.
Ik moet ophouden verder voor het boek van Dr. Bremmer uw aandacht te vragen. Graag zou ik uit dit boek van Dr. Bremmer nog meer naar voren willen halen. De betekenis van Bavinck voor de politiek en het onderwijs, zijn overgang van Kampen naar de Vrije Universiteit en wat verder van betekenis is, wordt in genoemd boek breed omschreven. Maar ik moet ophouden.
Het is een pracht werk en geeft ons niet alleen kijk op een belangrijk persoon in de kerkgeschiedenis van de vorige eeuw en het begin van de onze, maar laat heel die tijd duidelijk voor ons leven.
In deze tijd, waarin geschiedenis en bijzonder de kerkgeschiedenis vaak weinig belangstelling heeft, is bestudering van een boek als dit van grote waarde.
De prijs van het boek is gebonden ƒ 22,75. Voor inhoud en uitgave van een boek als dit niet te hoog.

Oosterhoff

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1966

De Wekker | 8 Pagina's

Herman Bavinck en zijn tijdgenoten (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1966

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken