Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Twee ‚dopen’ in de hervormde kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twee ‚dopen’ in de hervormde kerk

9 minuten leestijd

In de Hervormde Kerk is verleden week op de Generale Synode het rapport besproken voor een commissie over kinderdoop en volwassenendoop. In ,Hervormd Nederland', verschenen in de week van de Synode-vergadering, lezen we een artikel over dit rapport, dat de buitenstaanders informeert.

DIT wordt de 1000 + 1e verhandeling over de doop . . . .
Wie zal immers de keren tellen dat in 19 eeuwen geschiedenis der kerk over de doop gesproken, geschreven en gestreden is en wie weet niet hoe christenen om de doop op hun tocht door de nacht van smart en zorgen uiteengingen?
Er is een heel duidelijke hoofdweg, waarop de reformatorische, de oosters-orthodoxe en de R.K. Kerk al eeuwen lopen. Daaronder is ook de hervormde kerk. Zij heeft de eeuwen door de doop „aan de kleine kinderen der gelovigen”, maar (het zij nadrukkelijk vermeld!) ook die aan volwassenen die tot de kerk toetreden bediend, beleden, verdedigd. En dat naar die diepe bijbelse lijn dat men een mens niet als een eenzaam, op zich zelf staand wezen heeft te zien, maar als één die geboren en getogen is in het midden van de gemeente des Heeren. Die daarom, al vóór zijn mondigheid, deel heeft aan het heil in Christus en dus „gedoopt behoort te wezen”. De doop is teken en zegel ervan dat de genade van de Heer ons altijd „een eeuwigheid vóór” is.
Maar telkens staat, naar een klassiek geworden woord, „midden in de kerk een doperse kerk opgericht”. Het zijn die medechristenen vanaf 3e eeuwse kerkvader Tertullianus („Wat haast zich de onschuldige leeftijd tot de vergeving der zonden?”) tot en met 20e eeuwse kerkvader Karl Barth die vanuit hùn verstaan van het evangelie niet kùnnen besluiten hun kinderen te laten dopen. Want doop kan pas geschieden als er persoonlijk geloof is. En hoezeer geloven een genade van God is — het is toch een zaak van eigen beslissing. Zodat Barth in zijn onlangs verschenen laatste dogmatiekdeel zelfs zeggen kan (merkwaardig genoeg: in navolging van zijn zóón Markus!;) dat de doop geen sacrament is, waarin Jezus Christus aan ons handelt, maar een — wij citeren — „in haar aard op Gods doen en spreken antwoordende, echt mènselijke handeling”. Aldus zwaaiden wederdopers, doopsgezinden, baptisten, pinkstermensen van de hoofdweg af. Al zullen zij zelf nimmer van „afzwaaien” spreken: Die van de hoofdweg zijn de dwalenden . . . .

1947 EN 1960
De hervormde kerk heeft over deze zaak na de laatste oorlog enige malen duidelijk gesproken:
Eerst in 1947 in haar synodaal rapport over de kinderdoop, een antwoord op vragen uit de Franse Hervormde Kerk. Daarin handhaaft ze het klassieke belijden over de kinderdoop. Het rapport schijnt weinig invloed te hebben gehad op de Fransen: Sinds '51 kent de Franse kerk ook de mogelijkheid van de volwassenendoop . . . .!
Daarna verscheen in '60 het pastoraal advies inzake de H. Doop. Met deze belangrijke zin aan het slot: „Het is gevaarlijk de Doop die in de Naam van de drieënige God geschiedt afhankelijk te maken van de particuliere, menselijke wijze van beleving”. En met nochtans dit pastoraal advies: gemeenteleden die de herdoop voorstaan „bovenstaande overwegingen in geduldige pastorale bemoeienis” onder ogen te brengen.

1961, 1962
Het jaar 1961 werd zwanger van vele bezwaren:
Ds W. Glashouwer vraagt toestemming om kinderen van ouders, die voor volwassenendoop zijn, voortaan te zegenen.
Utrechtse theologische studenten vragen om toepassing van de Franse praktijk. Want: „Waar de n.t.-ische doop een identificatie met Christus in zijn dood en opstanding èn opneming in Zijn Lichaam inhoudt, vindt men deze beide elementen maar zeer ten dele (en dan nog indirect) in de kinderdoop terug”.
Tenslotte dienen twee Haagse lidmaten, de heren Van der Linden en Verbeek, een bezwaarschrift in tegen de kinderdoop bij hun kerkeraad.
Naar goed Hollands gebruik benoemt de raad voor de zaken van kerk en theologie, in overleg met het synode-moderamen, in 1962 een commissie ter bestudering van de materie.

1968
Wanneer dan nu van 19 t/m februari a.s. de generale synode bijeen zal komen zal het rapport van deze commissie — na vijf jaren arbeid — ter bespreking liggen. Wat zij tenslotte voorstelt is wel zo belangrijk dat we er bepaald aandacht aan moeten geven.
Want dat komt in het kort hierop neer:
1. De doop is en blijft inlijving in het lichaam van Christus, verzegeling van het heil in Christus.
2. Als dat vaststaat is het theologisch gewettigd te zeggen zowel dat de doop zich over het ganse leven uitstrekt, beginnend bij de eerste levensdag en elke dag opnieuw roepend om geloof, als ook dat de doop eerst kan worden bediend als men tot geloof gekomen is en de dopeling voor zich zelf de doop begeert.
3. De Schrift-in-haar-geheel dwingt tot erkenning van een „hiërarchie” in de accenten: De bijbelse boodschap legt zulk een nadruk op verbond, volk, kerk, gemeente, dat de enkeling eerst daarna theologisch in aanmerking komt. DAAROM HEEFT DE HERVORMDE KERK ALS REGEL DE KINDERDOOP. In de praktijk echter zal het nodig zijn om verwarring, onzekerheid, willekeur en dwingelandij te voorkomen nodig zijn DE KINDERDOOP EN DE VOLWASSENENDOOP ALS VOLKOMEN GELIJKWAARDIG NAAST ELKAAR TE STELLEN.
4. Omdat de doop inlijving in Christus is kan hij niet worden herhaald. Dus: géén overdoop. Want dan is er sprake van twee doopleren.
Het is duidelijk: deze punten, met name punt 3 en 4 zijn, na vele eeuwen ernstig volharden bij de kinderdoop alleen, revolutionair van aard. Ze willen de mensen van de hoofdweg en de afzwaaienden weer op één weg doen lopen . . . .

BEZWAREN
Zonder de hoogeerwaarde synodeleden voor de voeten te lopen in hun discussies menen we over dit alles toch nog wel het onze te moeten zeggen.
Allereerst: Het simpele feit dat de commissie er vijf jaar over deed om tot dit rapport te komen bewijst dat het zeer veel moeite heeft gekost om tot eenstemmigheid te komen. De rapporteur vertelt dit dan ook heel eerlijk. Dat doet het vermoeden rijzen dat de synode daarover in één maal niet tot klaarheid zal komen.
In de tweede plaats moet ook worden gezegd dat er bij het rapport een minderheidsnota is gevoegd van een der leden, prof. dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, de emeritus-hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis van de Leidse universiteit, èn een nota van een ander lid, mevr. dr. E. Flesseman-van Leer.
Laatstgenoemde is het met de strekking van het rapport eens, heeft alleen kritiek op onderdelen. Maar eerstgenoemde is het volstrekt òneens met de suggestie beide dopen gelijkelijk te erkennen en voert daarvoor een keur van argumenten aan:
„Wat in onze tijd tegen de kinderdoop wordt aangevoerd is niets anders dan wat in de 16e eeuw onder ogen is gezien en beantwoord.”
Toch geldt niet de historie als zodanig als norm, MAAR DE DAARIN BELEDEN ONAANTASTBARE HEILSWAARHEID. In wezen staat verzet tegen de kinderdoop in verband met een andere beschouwing van Gods genade.
Men realisere zich goed dat zij die de volwassenendoop wensen eigenlijk de kinderdoop bestrijden en dat het dus de vraag is of men de gelijkwaardigheid zal erkènnen. Invoering van de gelijkwaardigheid van beide dopen zal bovendien in de catechese grote verwarring geven: de dominee staat voor gedoopten en niet-gedoopten. Wat zullen die van de leer der kerk moeten denken.
Al met al: Kerk — begin er niet aan!

OPMERKINGEN
De visie van de commissie in meerderheid is, zoals gezegd, revolutionair en dwingt tot nadenken. Maar de professorale tegenargumenten doen dit ook!
Tegelijk echter roepen beide ook weer allerlei nieuwe vragen op:
Allereerst valt het op dat het rapport met geen woord rept over de vraag hóe de volwassenendoop bediend zal worden. De kwestie van de onderdompeling is voor baptisten en pinkstermensen niet van de tweede rang.
Vervolgens: Zou er ook nog niet een derde mogelijkheid zijn om uit het eeuwenoude slop te komen, namelijk dat men stelt: kinderen mogen gedoopt worden? Dus niet: óf kinderdoop óf volwassenendoop. Of: beide naast elkaar. Maar: kinderdoop „mag”, volgens de Schriften.
Dan: Tot prof. Bakhuizen van den Brink zouden we willen zeggen hoe hervormden, als die zo bindend over de kinderdoop spreken, dan in de oecumenische beweging hebben te staan? Dáár ontmoeten zij telkens en overal medechristenen die de volwassenendoop aanhangen en met wie ze stellig aan de ene tafel des Heeren plaats nemen. We zouden nog een stap verder willen gaan: Zou, om uit de problematiek te komen, het niet goed zijn om nu, in 1968, duidelijk te stellen dat de hervormde kerk eigenlijk een „oecumene-in-het-klein” is en dat het dáárom mogelijk moet zijn om twee dopen in de kerk te hebben? Het is de vraag of in de twintigste eeuw argumentatie uit het verleden voldoende toereikend is. Wij hebben in deze eeuw ook andere zaken in de kerk ànders leren zien dan in de 16e eeuw. (Men denke aan de vrouw in het ambt!).
Niettemin zal één zaak bijzondere aandacht moeten hebben: of werkelijk de voorstanders van de volwassenendoop zich van bestrijding zullen onthouden. Ergens in zijn boekje „Gij zijt gedoopt” geeft prof. dr. A.F.N. Lekkerkerker de stem van een baptist weer, die wellicht een hoopvol teken is: „Wanneer ik christenen verwelkom aan een avondmaalsviering van baptisten voel ik dat ik impliciet hun doop in Christus' lichaam erken. Indien ik dat niet zou doen zou ik hebben terug te keren tot de praktijk van mijn baptistische voorvaderen en uit te sluiten van het avondmaal allen die niet op geloof zijn gedoopt. En daartoe zou ik mijzelf niet kunnen brengen”.
Tenslotte: Terecht zegt het rapport aan het slot dat de hele zaak eenvoudig samenspreking met andere kerken vráágt. Welnu: dan zal de komende synode op dit moment ook niet meer kunnen doen dan een éérste bouwsteen leveren tot een diepgravend gesprek.
Zullen de hoofdweg en de zijwegen toch weer bijeen komen? Het is nog een open vraag.

Volgens het Synode „verslag” is de kerkelijke vergadering tot de conclusie gekomen dat de zaak voorlopig blijft zoals ze was. Het rapport is niet aanvaard. Overigens de argumenten van Prof. Bakhuizen van den Brink zijn legitiem gereformeerd en schriftuurlijk.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1968

De Wekker | 8 Pagina's

Twee ‚dopen’ in de hervormde kerk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1968

De Wekker | 8 Pagina's