Bekijk het origineel

Toelichting op de Kerkorde (355)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Toelichting op de Kerkorde (355)

De Afsnijding (5)

4 minuten leestijd

Als een kerkeraad zich genoodzaakt ziet tot de excommunicatie van de zondaar te komen, dan dient volgens artikel 76 deze afsnijding te geschieden met het Formulier van de Ban.
In de eerste jaren van de Reformatie der kerken in ons land was er nog geen bepaald formulier voor de afsnijding in gebruik, d.w.z. men gebruikte op verschillende plaatsen verschillende formuleringen bij de afkondigingen. Op de synode van Middelburg, 1581, begon men te werken aan het brengen van eenheid in de formulieren van de tucht. Maar het duurde nog tot de synode van Den Haag, 1586, eer dat de begeerde eenheid er kwam.
Door haar of door een commissie van harentwege zijn de formulieren van de ban en van de wederopneming vastgesteld. Ze zijn sedert dien niet veranderd.
Wij kunnen onze lezers aanraden deze formulieren eens aandachtig te gaan lezen. Men zal dan bemerken hoe diep-ernstig de toon is. Er is ook in het formulier van de ban geen sprake van enige zelfverheffing, integendeel, er klinkt een toon van diepe ootmoed in en er spreekt innig smart gevoel uit. Het formulier van de ban is een echt pastoraal geschrift — de liefde tot het afgedwaalde schaap staat voorop en ook dit laatste, vreselijke, middel van de ban wordt nog aangewend tot behoudenis van de zondaar.
Het formulier der afsnijding bestaat uit drie delen.
In het eerste deel wordt mededeling gedaan van de onbekeerlijkheid van de zondaar en de noodzakelijkheid van zijn excommunicatie. In dit gedeelte komt o.m. het ontroerende woord voor, na de herinnering aan de verschillende afkondigingen van de kansel: „Maar wij kunnen u met grote droefheid niet verbergen, dat ons tot nog toe niemand is verschenen, die in het minste te verstaan heeft gegeven, dat hij, door de menigvuldige vermaningen aan hem gedaan (zo in het bijzonder, als voor getuigen, en in tegenwoordigheid van velen), gekomen zoude zijn tot enig berouw over zijn zonde, of enig teken van ware boetvaardigheid aan zich heeft laten merken." Hij blijkt dus trots alle vermaningen onbekeerlijk te zijn en daarom moet nu tot zijn afsnijding warden overgegaan. Het formulier noemt dan het doel van de afsnijding allereerst ten aanzien van de zondaar zelf: dat hij nog tot schaamte over zijn zonde gebracht worde, vervolgens met het oog op de gemeente: opdat de gemeente niet in gevaar gesteld worde, en eindelijk met het oog op de ere Gods, opdat de naam Gods niet gelasterd worde.
In het tweede deel van het formulier vinden wij dan de handeling der afsnijding zelf. Zij geschiedt in de naam en de macht van Christus. Het is om er stil van te worden als de dienaren in 's Heren naam voor allen verklaren, „dat N., om de voorzeide oorzaken, uitgesloten is, en wordt uitgesloten mits dezen, buiten de gemeente des Heren, en vreemd is aan de gemeenschap van Christus, van de Heilige Sacramenten en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan Zijn gemeente belooft en bewijst, zo lang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijn zonden, en is daarom door ulieden te houden als de heiden en tollenaar, naar het bevel van Christus, die zegt, in de hemel gebonden te zijn, al wat zijn dienaars binden op de aarde."
In het derde deel vinden we dan een vermaning aan de gemeente. In dit gedeelte lezen we o.a.: „Intussen spiegele zich een iegelijk aan dit en dergelijke voorbeelden, om de Here te vrezen, en naarstiglijk voor zich toe te zien, indien hij meent te staan, dat hij niet valle, maar ware gemeenschap hebbende met de Vader en Zijn Zoon Christus, mitsgaders met alle gelovige christenen, daarin volstandig blijve tot den einde toe, en alzo de eeuwige zaligheid verkrijge. Gij hebt gezien, lieve broeders en zusters, op welke wijze deze onze afgesneden broeder heeft begonnen te vervallen, en allengskens meer en meer gekomen is tot de val. Merkt dan aan hem, hoe listig de satan is, om de mens te brengen tot het verderf, en af te trekken van alle heilzame middelen ter zaligheid. Zo wacht u dan mede voor de minste beginselen des kwaads, en, naar de vermaning des apostels, afleggende alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt loopt met lijdzaamheid de loopbaan, die ons is voorgesteld, ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus. Zijt nuchteren, waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt. Heden, zo gij de stemme des Heren hoort, verhardt uw hart niet; maar werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; en een iegelijk hebbe berouw van zijn zonde; opdat onze God ons niet wederom vernedere, en dat wij rouw zouden moeten hebben over iemand van ulieden; maar dat gij, eendrachtiglijk in Godzaligheid levende, onze kroon en blijdschap moogt wezen in de Here." Met een ernstig en ontroerend gebed wordt dan de plechtigheid van de excommunicatie besloten.

A.[Apeldoorn], H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1970

De Wekker | 8 Pagina's

Toelichting op de Kerkorde (355)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1970

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken