Is het geloof te ingewikkeld geworden?
Zeeman zonder kompas
In zijn boek „In zekere zin" ¹) ontwikkelt dr. F.H. von Meyenfeldt gedachten over waarheid, bijbel, geloof en kerk. Zijn boek mist een duidelijke systematische opzet. De gedachten springen soms als kinderen voor je ogen op. Het is dan ook niet zo eenvoudig om bij het eerste lezen van het boek terstond de lijn, die er wel terdege doorheen loopt, te ontdekken. Want een lijn is er in het boek ontegenzeggelijk. Misschien zullen niet allen die lijn op dezelfde wijze onder woorden brengen. Maar het gaat zeker om de vraag die ik boven formuleerde: Is het geloof te ingewikkeld geworden? Dr. von Meyenfeldt wil, als ik hem goed begrepen heb, vooral terug naar de eenvoud van het leven en van het geloof.
In een „Woord vooraf" merkt hij op, dat christenen de beantwoording van de vraag: „wat gelooft een christen nu eigenlijk?" niet gemakkelijk hebben gemaakt. Als paddestoelen hebben zij kerken, kerkjes, secten en stromingen uit de grond doen schieten. En hoe meer groepen christenen er naast elkaar gingen leven, hoe meer ze zich moesten inspannen om van elke breuk een redeneersom te maken. Het christendom is een van de meest praatzieke verschijnselen uit de geschiedenis geworden. Bibliotheken vól, concilies làng, synodes uit, hebben ze gesproken, dat gesprokene daarna in starre regels tot dogma's bevroren. Het woord wordt nu aan dovemansoren gesproken. Horen en zien is bij de massa vergaan. Men weet de weg niet meer te vinden tussen de dogmabunkers, kerkrechtpaadjes, formulierenpleintjes en preekprieeltjes. Christus heeft gezegd: „Ik ben de weg". Maar het wegenplan is sindsdien wel geweldig uitgebreid. De ware kerk heeft ontaard veel adressen gekregen: het lezen van het adres-boek vergt althans een zeer groot geduld. Aldus dr. von Meyenfeldt. Dit is de problematiek, waarmee het boek wil bezig zijn.
Een van de meest in het oog springende trekken van onze huidige samenleving is volgens dr. von Meyenfeldt de zelfcontemplatie. Dat in tegenstelling tot de middeleeuwse levensverhouding, waarvan de typerende trek was de Godscontemplatie, de aanschouwing van God. De meditatie over God was het uiteindelijk oriëntatiepunt voor het toenmalige denken. Daartegenover is onze maatschappij intens geïnteresseerd in zichzelf en voortdurend bezig zichzelf te beschrijven. Voortdurend worden door allerlei auteurs tijdsbeelden gepubliceerd, het een al onthutsender dan het ander. Het maatschappijbeeld dat ontworpen wordt is niet anders dan een projectie van wat we zelf vanuit onze visie maatschappelijk mogelijk achten. Met name de sociologie maakt de indruk dat analyses van de huidige samenleving mede op grond van uitvoerige enquêtes tot haar normale werkpatroon behoren. Pers, radio en televisie laten zich in dit opzicht ook niet onbetuigd en regelmatig worden allerlei tijdsbespiegelingen in hun kolommen en programma's opgenomen.
Achter deze herhaalde zelfobservatie zit een gevoel van grote innerlijke onzekerheid en een gebrek aan vertrouwen. Achter alles wordt een vraagteken gezet. En bij de vraag naar waarheid en zekerheid maakt de mens zichzelf tot maatstaf. En als we het hebben over de mens moeten we bedenken dat we daarmee een zeer veelvormig fenomeen aanduiden: zoveel hoofden zoveel zinnen. Daarom schijnen er zoveel waarheden te zijn als dat er mensen zijn. Ieder heeft zijn eigen waarheid. Heel sterk komt dat aan de orde in de zgn. nieuwe moraal. De beslissende maatstaf voor goed en kwaad is niet een of ander goddelijk gebod, maar de subjectieve opvatting van de individuele mens inzake wat goed is voor hemzelf en zijn naaste in elke gegeven situatie.
De mensen zijn als een antieke zeeman midden op zee zonder kompas in bewolkte nacht. Overal om hem heen eendere golven en nergens een leidster.
In deze nacht wil dr. von Meyenfeldt de weg wijzen naar de eenvoud van de bijbelse waarheid.
Wat is waarheid?
Het gaat bij de diepste levensvragen om de vraag naar de waarheid. En zeker gaat het daar in de kerk om. De kerk staat en valt met de waarheid, aldus dr. von Meyenfeldt. Met de vraag van Pilatus: „Wat is waarheid?" is de mensheid de eeuwen door bezig geweest en er zijn vele antwoorden op gegeven. Von Meyenfeldt laat een reeks van opvattingen de aandacht passeren, om dan uit te komen bij het O.T. In discussie met enige theologen (Kuitert, Barth, Buber e.a.) probeert hij in het bijbels verstaan van de waarheid een goed inzicht te krijgen. Tenslotte sluit hij zich aan bij prof. dr. J.H. Gunning jr., dat een ieder, die de waarheid wil, zich aan Christus moet overgeven, want de waarheid is met Hem aan het licht getreden in onze duistere samenleving. Alleen door de Geest van Jezus Christus kunnen wij in de waarheid geleid worden omdat de Geest ons tot Hem leidt.
Dikwijls is een tegenstelling gemaakt tussen het griekse en het bijbelse waarheidsbegrip en tussen het griekse en het bijbelse denken in het algemeen. Dr. von Meyenfeldt meent dat we hierbij niet overdrijven moeten. Hij zet dat uitvoerig uiteen (blz. 45-65). Het westen en het oosten heeft meer gemeen dan men vaak denkt.
Wanneer men een tegenstelling construeert tussen het hebreeuwse en het griekse denken ziet men dikwijls als typerend voor het laatste, dat men de waarheid verstaat als iets objectiefs, dat men al of niet kan aanvaarden. In het hebreeuwse denken is waarheid wat bestendig, betrouwbaar is. Gods waarheid is zijn trouw, waarmee Hij zijn beloften houdt. Aan de kant van de mens is waarheid dat hij in Gods wegen wandelt en Gods trouw met zijn trouw beantwoordt. In het N.T. ziet dr. von Meyenfeidt zowel de griekse als de hebreeuwse wijze van het verstaan der waarheid aanwezig. Er is sprake van „de waarheid niet aanvaard hebbend" (2 Thess. 2:10), „de waarheid niet geloofd hebben" (vs. 12), gesproken wordt van „erkentenis der waarheid" (2 Tim. 2:25; 1 Tim. 4:3 e.a.). 1 Tim. 6:5 spreekt van mensen, die „het spoor der waarheid bijster geraakt zijn" enz. Of men hier kan spreken van een griekse kleur en van een waarheidsbegrip, dat analoog is aan de wijze waarop de Griekse filosofen het gebruiken" (blz. 97), betwijfel ik. De waarheid is in het N.T. het evangelie, de boodschap aangaande Jezus Christus, de Zoon van God, dat als de van God gegeven openbaring vast, waarachtig en betrouwbaar is. Men kan die waarheid aanvaarden of verwerpen. In elk geval ben ik het met dr. von Meyenfeldt eens, dat men de tegenstelling tussen grieks en hebreeuws denken niet overdrijven moet en het verschil tussen het griekse alètheia (onthulling van de werkelijkheid) en het hebreeuwse emeth (vastheid, bestendigheid) zegt niet alles over het gebruik der woorden. Toch houd ik het er op, dat het N.T. meer hebreeuws en minder grieks is dan von Meyenfeldt stelt.
Feit is dat wat ons in de bijbel als de waarheid wordt gepredikt het enige houvast, het onmisbare kompas is in de duisternis van onze wereld.
Dr. von Meyenfeldt voert het pleit dat deze waarheid Gods in alle eenvoud wordt voorgesteld.
De eenvoud van het kind
Hij wijst er op, dat Jezus telkens weer het kind ten voorbeeld stelt. Wie het koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan (Mark. 10:13 vv.). Jezus plaatst een kind tussen zijn discipelen! en zegt: Wie zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen (Matth. 18:1 vv.). Het heilgeheim van God is voor wijzen en verstandigen verborgen en aan kinderen geopenbaard (Matth. 11:25 v.). De mens zal veel van eigen redenering moeten verliezen om als een onbevangen kind de Heer tegemoet te gaan (blz. 80v.). „Al te dikwijls is in de loop der geschiedenis de gemeente afgescheept met dorre begrippen in plaats van met het levende evangelie van de levende God die als de goede herder Zijn kudde voorgaat, beschermt en voedt door alle tijden en situaties heen!" (blz. 89).
Dat betekent niet dat dr. von Meyenfeldt tegen leerstellingen, dogma's en heldere formuleringen is. Die kunnen niet gemist worden. Maar de kerk bestaat niet uit theologen (blz. 90). Het theologische denkwerk gaat vaak buiten de gemeente om of maakt die onzeker. Von Meyenfeldt gebruikt het volgende beeld: „de theologen toeren zo vreselijk hard rond op een apart circuit buiten de bebouwde kom, en de mensen hebben alleen maar last van het grommende geronk!" (blz. 113). Er zit aan het theologisch bedrijf meer dan één gevaar. „Wie eenmaal de theologische toren beklommen heeft en met veel inspanning zijn geliefkoosde gedachten hoog omhoog gestoten heeft met een begrippenkrik, vindt het niet zo plezierig als hij onverrichterzake van deze hoogte moet afdalen, of wanneer men zijn begrippenbouwsel rijp acht voor de sloop. Hij zal in verleiding komen om met onheilig vuur zijn hoge stelling te verdedigen". „Een dergelijke begrippenoorlog betekent altijd een lang en bloedig oponthoud voor de gemeenschap-der-heiligen-op-weg." (blz. 113 v.).
Dr. von Meyenfeldt voert het pleit voor de eenvoud. Hij noemt Jezus als het grote voorbeeld (blz. 129). Aan het eind van zijn boek zegt hij het zelf nog eens zo: „Het zal zo langzamerhand wel duidelijk wezen, dat dit boek een pleidooi voert voor de eenvoud van het leven" (blz. 134). Ondanks de modernisering van vorm en organisatie van veel kerken, ondanks het feit dat de taal van de prediking meer aangepast is aan de manier waarop de huidige mens zich uitdrukt, ondanks het feit dat de gebouwen veel functioneler en plezieriger zijn dan eertijds, ondanks alle zware en intelligente inspanningen die velen zich getroosten, verkeert de kerk over het geheel genomen in een crisis (blz. 135). De Geest schijnt geweken te zijn. Dr. von Meyenfeldt stelt „dat het er om gaat het leven op God te betrekken en meent dat de kerk geen sociologische, politieke, didactische of wetenschappelijke oplossingen voor de diverse vragen van het leven kan, hoeft en moet geven. Het gaat er om alle dingen op God te betrekken, de vaste grond van onze werkelijkheid.
Dr. von Meyenfeldt heeft een boek geschreven, waarin hij de vragen van onze tijd geestelijk en bijbels probeert te doorlichten. Hij heeft zijn schijnwerper op verschillende punten goed gericht. Hij zegt er rake, goede en bijbelse dingen over. Maar tot een brede, systematische visie is het nog niet gekomen. Ondanks zulke typeringen blijven er nog vragen liggen. Maar dat zal wel zo blijven. De weg die gewezen wordt is de bijbelse.
Oosterhoff
¹) In zekere zin, door dr. F.H. von Meyenfeldt, uitgave Wytse Benedictus, Hilversum, 137 blz., prijs ƒ 18,95.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1976
De Wekker | 8 Pagina's