Bekijk het origineel

Joannes Eusebius Voet op het pad der deugd (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Joannes Eusebius Voet op het pad der deugd (II)

7 minuten leestijd

Aandachtige lezing van Voets stichtelijke geschriften baant ook de weg naar een grotere waardering voor de Psalmberijming van 1773. Het is zojuist al aangeduid: de commissie die in dat jaar in het Mauritshuis in Den Haag bijeen was om een nieuwe berijming te krijgen, had drie complete berijmingen van het Psalmboek op tafel liggen. Voet was al meer dan tien jaar tevoren met het werk van het berijmen begonnen. Hij legde zijn proeven voor aan een Haags „genootschap" van kritische geïnteresseerden. Die brachten allerlei verbeteringen aan. Zo kwam Voets Psalmboek in 1764 uit als proeve van een nieuwe berijming ter vervanging van de volstrekt verouderde Datheen. Voets werk kreeg veel toejuiching. Maar daarnaast verscheen er in die jaren een nieuwe berijming van een groep Amsterdamse dichters, verenigd onder de zinspreuk „Laus Deo, salus populo" („Tot eer van God, tot heil van het volk"). Die berijming was zeker een niet mindere prestatie dan die van Voet. Er kleefde, kerk-politiek gezien, echter het bezwaar aan, dat diverse dichters van „Laus Deo" remonstrants waren. Als derde kwam er dan nog bij (of liever: bestond al bijna een eeuw lang) het Psalmboek van Hendrik Ghijsen. Deze was niet zozeer zelf aan het berijmen geweest, maar had zijn Psalmboek samengesteld uit een hele reeks zeventiende-eeuwse berijmingen, b.v. die van Revius.

Zoals gezegd, de commissie van 1773 moest allereerst een keuze doen. Volgens een bepaalde procedure werd voor elk van de 150 psalmen afzonderlijk uit de drie beschikbare berijmingen de beste uitgezocht. Hoe dat toeging moet ik hier laten rusten. Tot mijn spijt, want het is de moeite waard om de commissie aan het werk te zien. We zijn er uitvoerig over ingelicht door een der commissieleden, Josua van Iperen, de Zeeuwse vertegenwoordiger in het gezelschap. Hoe dan ook, het uiteindelijke resultaat was heel vererend voor Voet: van de 150 Psalmen waren er niet minder dan 82 uit zijn berijming gekozen.
Dat betekende intussen niet, dat de uitgekozen berijming van een bepaalde psalm onveranderd aanvaard werd. In de meeste gevallen vond er in de commissie een indringende analyse plaats. De heren waren bijzonder kritisch, bijna geen versregel passeerde ongewijzigd de controle. Er werd zorgvuldig gelet op nauwkeurige aansluiting bij de tekst van de Statenvertaling. Ook diende het dichterlijke karakter van de taal der psalmen zo veel mogelijk in de berijming terug te keren. Een enkel voorbeeld kan dat illustreren. De dichters van „Laus Deo" gaven als Psalm 42 vs. 2 de volgende regels:

Zie mijn tranen onder 't klagen
Sterker vloeien dag en nacht.
Als de boosheid mij durft vragen:
„Waar is God, dien gij verwacht?"

De commissie oordeelde (m.i. terecht), dat de dichterlijke wending („die schone en sterke spreekwijs") in de oorspronkelijke psalm, nl. „Mijn tranen zijn mij tot spijs" niet losgelaten mocht worden. Ook was men van mening, dat het abstracte woord „boosheid" in plaats van „bozen" niet duidelijk genoeg was voor de gemeente. En zo kwam dan de ons bekende tekst tot stand:

'k Heb mijn tranen, onder 't klagen.
Tot mijn spijze, dag en nacht.
Daar mij spotters durven vragen:
„Waar is God, dien gij verwacht?"

Nog een voorbeeld van een correctie op een psalm van Voet, uit Psalm 1 vs. 2. Voet had daar onder meer de woorden: „Want hij is als een groen' en frisse boom". De commissie keurde het bijeenplaatsen van twee bijvoeglijke naamwoorden af ("groen' en frisse"), uit overwegingen van stilistische aard: „twee bijv. naamwoorden, bij elkaar geplaatst, veroorzaken een zekere flauwheid". De regel is misschien iets te algemeen geformuleerd, maar alweer: m.i. hebben de critici in dit geval juist geoordeeld. In hun verbeterde tekst konden ze bovendien de toekomende tijd in Psalm 1: 3 (Statenvertaling) handhaven: „Want hij zal zijn gelijk een frisse boom".
Joannes Eusebius Voet: een vergeten man? Ja. Maar tot op heden klinkt in vele kerken zijn bescheiden stem, waar zijn „vertolking" van de psalmen (dikwijls erg geliefde psalmen) door de gemeente op de lippen wordt genomen. Prof. G. Kuiper zegt in de Christelijke Encyclopedie terecht: „De inbreng van Voet leverde in de bundel-1773 een aantal uitstekende herdichtingen op: o.a. de psalmen 16, 25, 68, 72, 84, 86, 116, 118 en 119". En ten aanzien van een enkele psalm in deze reeks (ik denk nu aan Psalm 25) geldt, dat Voets herdichting deels is doorgedrongen tot in de nieuwe berijming die thans naast die van 1773 in onze kerken in gebruik is. Mèt Voet zingen we nog altijd:

Gods verborgen omgang vinden
zielen waar zijn vrees in woont;

en wat daar verder volgt.
Van Voet was ook de in 1773 gekozen berijming van Psalm 1 afkomstig. Het is een berijming die bij uitstek het odium van achttiendeeeuwsheid draagt voor het bewustzijn van twintigste-eeuwse christenen. „Met vaste gang het pad der deugd betreden" - menigmaal is door critici de staf gebroken over deze woorden, die het kenmerk van de optimistische Aufklärungstijd zouden dragen. Het pad der deugd - herinnerde dat niet aan remonstrantisme? Klonk dat niet, alsof de mens zich door zijn eigen braafheid de hemel waardig kon maken? Voor de meeste mensen op het „erf" van de reformatie in Nederland is dat een uitgemaakte zaak. Als ik het wel heb is juist ook Psalm 1 dikwijls aangehaald om de ondeugdelijkheid van de bundel van 1773 te demonstreren. In heel wat geschriften over Psalmberijming uit de achter ons liggende decennia worden die woorden „het pad der deugd" (men vindt ze ook in andere psalmen in de berijming van 1773) geciteerd om aan te tonen hoe weinig echt-reformatorisch „1773" hier en daar wel is.
Niettemin geloof ik, dat men zich hier door de schijn laat misleiden. Ik moet aannemen, dat al die kritische commentatoren van „het pad der deugd" er nooit toe gekomen zijn die woorden te plaatsen in de context van Voets gehele werk. En toch is dat natuurlijk een vereiste, wil men tenminste de woorden niet op de klank af, of in een later ontwikkelde betekenis of „kleur", maar naar de intentie van de auteur verstaan.
Welnu, wie zich vertrouwd maakt met Voets gedichten en met zijn stichtelijke traktaatjes, kan er niet om heen: gegeven Voets zuiver-reformatorische geloofswereld kan deze psalmberijmer met „het pad der deugd" niets anders bedoelen dan wat in de reformatie „de weg der heiligmaking" genoemd wordt. Voets werk laat er verder geen twijfel over bestaan: voor hem is de heiligmaking een gave van God in Christus. Hij citeert zelf, over geloof en heiligmaking sprekend, Jezus' woord over de wijnstok en de ranken, en de vruchten die er komen als de rank in de wijnstok blijft. Met „het pad der deugd" van Voet zitten we dus, zijn intentie in aanmerking genomen, niet op het verkeerde spoor. Integendeel: men dient het, binnen het geheel van Voets werk, zuiver bijbels te verstaan. Dat wij sinds de achttiende eeuw kopschuw zouden worden voor het woord „deugd" kon Voet niet voorzien. Voor hem is het woord de aanduiding voor een gave van de Heilige Geest, liever: een term die alle vruchten van de Geest omvat. Vruchten die de rank ook niet aan zichzelf te danken heeft; maar die toch werkelijk vruchten aan de rank zijn.
Misschien mag deze poging tot rechtzetting toch zoiets zijn als een bescheiden eerbetoon aan de man wiens tweehonderdste sterfjaar voor het overige onopgemerkt voorbij lijkt te zullen gaan.

L. Strengholt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1978

De Wekker | 8 Pagina's

Joannes Eusebius Voet op het pad der deugd (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1978

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken