Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De roeping van de kerk temidden van de samenleving (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De roeping van de kerk temidden van de samenleving (III)

6 minuten leestijd

In de voorgaande artikelen gaf ik een korte samenvatting van de hoofdzaak van het studierapport, dat de GOS in 1980 in Nîmes behandelde. In het vervolg van het rapport wordt nu gesproken over de uitvoering van de gegeven uitgangspunten. Ook dat stuk vat ik nu kort samen.
De kerk zal haar verantwoordelijkheid beleven in overeenstemming met haar eigen aard. Haar taak blijft de prediking van het Evangelie. Maar dat is tegelijk het evangelie van het Koninkrijk. Daarom kan ze niet stilzwijgend toezien bij het zien van mensen in ellende en slavernij, al zou dat door hun eigen zonden of die van anderen gebeurd zijn. Hoe zou ze nu kunnen spreken?
In de eerste plaats tot haar eigen leden om ogen te openen en gewetens gevoelig te maken. Plaatselijk eenvoudig door de prediking, die niet eenzijdig is. Er is verschil tussen het spreken van de kansel en het spreken in een gemeentekring. De prediking zal slechts daarover mogen gaan, wat zonder twijfel als Gods Woord moet worden doorgegeven en verstaan. Soms kan het nodig zijn, over een bepaald onderwerp een schriftelijk stuk te laten uitgaan. Men moet dan echter wel heel voorzichtig zijn. Heel gauw worden menselijke meningen voor opdracht van God versleten. Overigens kan de kerk in allerlei verbanden, in vergaderingen, in kringen, in catechese, in gespreksgroepen, de gemeenteleden helpen tot een meningsvorming, om problemen duidelijk te maken, om echt geestelijke moed te geven, dankbaar te maken, liefde te geven en zelfverloochening te leren.
Bij tijden zal er behoefte kunnen zijn om als kerk naar buiten toe te spreken. In een stuk van de Ned. Herv. kerk uit 1975 werden daarvoor de volgende eisen genoemd: het moet een zaak van voldoende belangrijkheid zijn, het moet van actueel belang zijn, en de kerk moet echt kunnen spreken in de Naam des Heren. Er moet geen twijfel over te hoeven bestaan, dat het een getuigenis is van het evangelie van het Koninkrijk. Er zal dan heel nederig en in een besef van solidariteit in schuld gesproken moeten worden.
Wat de daden van de kerk betreft, er zal altijd een eenheid van woord en daad moeten zijn. Er zal gestreefd worden naar een diaconale instelling in de diepste zin van het woord, plaatselijk, eventueel landelijk of internationaal: te willen dienen moet drijfveer en kracht zijn. En, zoals ook al eerder betoogd was, ligt de taak tot getuigenis en dienst niet allereerst bij de kerk in haar institutionele vorm, maar bij de gelovigen zelf. Misschien kunnen ze die taak, zoals in verschillende landen, verrichten door christelijke organisaties. Maar ook wanneer en waar dat niet kan, zullen ze persoonlijk zich inzetten niet alleen maar om symptonen te bestrijden, maar voor verandering van de structuren van de samenleving, waar deze niet in overeenstemming met Gods Woord zijn.
We zullen tenslotte niet optimistisch moeten zijn over al wat christenen kunnen bereiken. In alle voorlopigheid en onvolkomenheid zullen we wel trouw mogen en moeten zijn. En, ook al zouden we dat met alle inzet zijn, dan nog verwachten we niet ons, maar Gods Koninkrijk op Zijn tijd en op Zijn wijze. Het nieuwe Jeruzalem zal een her-schepping zijn. Het einde van de hele geschiedenis is het nieuwe Jeruzalem, de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
Deze samenvatting nu, die toch nog vrij lang geworden is, is erg in elkaar gedrongen, maar geeft misschien ons toch wel een indruk van de richting, die het studierapport uit wil. Er is getracht om evenwichtig te spreken, maar niet onduidelijk. Het was ook naar mijn mening terecht, dat de GOS er waardering voor uitsprak. Na de bespreking erover in de commissie en in de synodevergadering werden er een aantal conclusies uit aanvaard, zgn. verklaringen, statements, om er verder mee te komen.
Ik wil deze conclusies nu graag in het kort nog met u bespreken. In conclusie 1 en 2 wordt de basis gelegd: het in Christus gekomen Koninkrijk van God. Van daar uit moet verder gesproken worden: „Alles in deze wereld, met inbegrip van de bestaande sociale en politieke orde, behoort gemeten te worden naar de maatstaf en beoordeeld te worden door de norm van het Evangelie van het Koninkrijk."
In conclusie 3 en 4 wordt gesproken over de houding van de Here Jezus Christus Zelf in zijn eigen tijd en over de plaats van de kerk die uit Hem leeft.
Het is, wat de Here Christus Zelf betreft, enerzijds zo dat Hij Zich nooit aan de maatschappij van zijn dagen onttrokken heeft, en anderzijds zo, dat Hij nooit met een van de partijen van zijn tijd geïdentificeerd kon worden: de Essenen, de „isolationisten" van die tijd, de Zeloten, de „activisten" of de Herodianen, de „conformisten". Maar het gaat er niet om, „te doen zoals Jezus deed", maar erop te letten, dat Hij de normen gegeven heeft, die het sociale gedrag van de mensen behoren te bepalen: gerechtigheid, dienst, barmhartigheid en bovenal liefde. „De kerk nu, die het volk van de Messias is, het lichaam van Christus, is de gemeenschap, waarin het eschatologische koningschap van Christus zichtbaar wordt. Ze is mee ingeschakeld in de strijd van Christus in deze wereld tegen de machten en overheden (Ef. 6!) en tegen alle antichristelijke ideologieën en systemen die in hun dienst staan", aldus conclusie 4.
Het is, denk ik, fundamenteel en beslist juist, het gekomen en komende Koninkrijk centraal te stellen en op Jezus te letten. En dan niet maar simpel te zeggen: zoals Hij niet koos voor een bepaalde visie in zijn tijd, zo zuilen wij dat ook niet doen, maar te letten op de grondslag van Gods vernieuwend werk in en door Christus. Dan gaan we er erg in krijgen, dat er, al de eeuwen door, met alle gebrek en ondanks alle tegenwerking, een beweging van God gaande is in zijn wereld. Een beweging, die in onze tijd, niettegenstaande alle moedeloosheid en verwereldlijking, niet is opgegeven en niet is opgeheven. De Reformatie heeft de kracht van Gods Woord weer zo ontdekt en zoveel van de Geest van God ervaren en geloofd. De Reformatie heeft zo duidelijk gesteld, dat niet wij de vernieuwing maken, want we worden zelf ook alleen maar als goddeloze gerechtvaardigd. Maar ze heeft tegelijk beleden, dat die kracht van God in ons leven ons niet werkeloos en nutteloos laat, want aan de rechtvaardiging is de heiliging ten nauwste verbonden.
Alleen maar op die manier, maar zo dan ook zeker, kan er een houding en een gezegende activiteit komen, die echt past bij Christus en bij zijn Koninkrijk.
Daarom staan christenen, in dit geval gereformeerde christenen, nooit zonder hoop en moed in deze wereld en in hun tijd. Ze mogen weet hebben van een vaste basis, die ze ook niet zelf gelegd hebben, én weet van een zekere toekomst, hoe weinig ze daar misschien ook nog van mogen zien.
Een volgende keer hoop ik verder te gaan met enkele andere conclusies uit het studierapport.

Hoogeveen, K. Boersma

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1982

De Wekker | 12 Pagina's

De roeping van de kerk temidden van de samenleving (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1982

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken