Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Persoons- en groepsconflicten in de gemeente van Christus (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Persoons- en groepsconflicten in de gemeente van Christus (3)

11 minuten leestijd

De evangelische gemeenteorde
Onder deze titel schreef Wilhelm Vischer een studie over Matt. 16:13-20:28 (Die evangelische Gemeindeordnung, ausgelegt durch W. Vischer, Zurich 1946). Hij doet een aannemelijke poging om aan de hand van de gegevens uit dit gedeelte af te leiden hoe het beeld van de christelijke gemeente in Palestina er moet hebben uitgezien. Ik schreef: een aannemelijke poging, maar dit moet nader toegelicht worden, het is immers niet zo, dat Mattheüs de bedoeling heeft gehad om zulk een schets van de gemeenteopbouw in de Palestijnse kerk te bieden. Doel van zijn geschrift is niets anders geweest dan de verkondiging van de Christus aan zijn volk door te geven. Christus is de Koning der Goden. Dit vormt het thema van zijn verkondiging. Maar daarmee is dan wel gegeven dat Christus de Koning is, ook van zijn gemeente. Hij is de Christus. En op die belijdenis wordt de gemeente gebouwd (Matt. 16:18). Wanneer Mattheüs dan verder verhaalt wat die gemeente is, welke macht zij bezit, n.l. de bevoegdheid om te binden en te ontbinden, wat in de hemel gebonden en ontbonden zal zijn, dan zien we wat ten diepste de orde van die gemeente is.
Het is de orde waarbinnen een beslissend woord wordt gesproken over de vergeving der zonden, zó beslissend, dat daarmee eeuwig heil óf eeuwig onheil gemoeid is. Wij noemen dit gewoonlijk de sleutelmacht van de kerk. Het is een macht of bevoegdheid, die aan de gemeente is verleend, en die strikt gebonden is aan het Woord van het evangelie. Maar zó geldt ze dan ook ten volle. De catechismus heeft dit op een formule gebracht, die uiterst gewaagd zou zijn, wanneer ze niet rechtstreeks aan het Woord van God ontleend was: „naar welk getuigenis van het evangelie God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven". Wat Gods Kerk op aarde spreekt naar het Woord, wordt in de hemel niet alleen vernomen, maar ook gevolgd.
Deze kern van de gemeenteorde bepaalt alles binnen de gemeente. Het ontsluit het Woord der vergeving voor zondaren, maar het reguleert ook de onderlinge verhoudingen. De huwelijksverhouding wordt er door bepaald en ook de verhouding ten opzichte van het aardse bezit. En deze orde komt dan vooral uit in de wet van de liefde: in de gemeente gaat het niet om heersen, maar om dienen (Matt. 20:20-28).

Zo is het onder u niet
In de kring van de discipelen - de eerste kleine kerk, kan men zeggen - is een conflictsituatie ontstaan. De moeder van de zonen van Zebedeus heeft een voorrecht gevraagd voor haar kinderen. Jacobus en Johannes. Als die moeder Salome heet zoals sommige uitleggers aannemen, zou het kunnen gaan om een begrijpelijke vraag in het gerief van twee neven van Jezus. Begrijpelijk - omdat deze moeder het beste voor haar kinderen zoekt. Begrijpelijk, omdat zij in het geloof reeds iets ziet van de heerlijkheid van het rijk van de heerlijkheid van Christus in Zijn opstanding (vs. 19). Begrijpelijk omdat zij verwacht, dat in dat rijk familiebetrekkingen met Christus toch wel iets zullen voorstellen: een voordeel van een goede plaats, de een aan de rechter-, de ander aan de linkerzijde. Christus wijst dit verzoek af, hoe begrijpelijk het ook mag zijn en hoe sympathiek het mag overkomen. Het zitten aan zijn rechter-of linkerhand staat niet in zijn macht om het te geven. De Vader bereidt die plaatsen voor wie Hij wil. De werkelijke deelname aan het rijk van de toekomst ligt in de macht van de Vader, die daarin zijn vrijmacht oefent.
En nu komt het conflict. Tien discipelen tegen twee. Toen de tien dit hoorden namen zij het de beide broeders kwalijk (vs. 24). En ook die reactie is zeer begrijpelijk. Wat deze twee discipelen door hun moeder hebben laten vragen is zeer bedenkelijk. Blijkt daaruit geen verkeerde instelling? Menen zij meer, of beter te zijn dan die anderen? Op welke grond zouden juist zij vooraan moeten zitten? Is dat geen hoogmoedige begeerte? En zo breken de verwijten los! In een toestand van opwinding krijgt de toorn een plaats. De twee broers moeten stevige verwijten in ontvangst nemen: Zij hebben door hun verzoek om een vooraanstaande plaats in Gods Koninkrijk de gemeenschap verbroken en zich boven de anderen gesteld. Dat steekt de tien discipelen. En zij houden hun gedachten niet voor zich: deze twee broers hebben het geweten. En was dat niet volkomen terecht? Maar op dit punt blijkt Jezus hen allen even hoog te waarderen. Hij herkende in het verzoek van de twee broers door hun moeder overgebracht, iets zeer werelds. Zij vroegen om een vooraanstaande plaats. Afgedacht van het feit, dat Christus daarover niet beslist - de Vader heeft dit in Zijn macht gehouden -, is er ook nog iets anders. Christus merkt op, dat er in hun begeerte iets van de wereld is. Het doet Hem denken aan die wereld waarin de regeerders heerschappij oefenen. Zij gedragen zich ten volle als heer en meester over hen die zij regeren. De wereldgroten oefenen macht uit. De groten in de wereld! In het evangelie naar Lucas staat dat hun groten weldoeners genoemd worden. Zo noemt de wereld hen: groten! Weldoeners! Maar zij oefenen een macht uit, die geen weldaad is.
Zo gaat het in de wereld. En dat herkent Jezus bij de twee broers. Hij ziet het vóór zich, dit begeren naar heerschappij, dit uitoefenen van macht. Maar Hij constateert het net zo goed bij de tien andere discipelen. Zij waren niet anders. Zij waren precies als die twee. En daarom laat Christus hen alle twaalf bij Zich komen. En Hij wijst hen allen door Zijn woord: Zo is het onder u niet. Zo mag het niet. Zo zal het ook niet zijn onder discipelen.

Waarom moet liet in de kerk anders dan in de wereld?
De vraag is nu, waarin de kerk van de wereld verschilt. En de vraag is ook, waarom alle twaalf discipelen bij Christus moesten komen. De laatste vraag is niet zo moeilijk. De tien discipelen, die zich opgewonden hebben over de vraag van Jacobus en Johannes, gaven door hun opwinding blijk, dat zij in werkelijkheid precies zo dachten als die twee.
Gewoonlijk zien wij onze eigen fouten bij anderen levensgroot. En daarom ergeren wij ons er aan. Niet anders ligt het met de discipelen. Het conflict dat hier groeide kreeg een kans, omdat zij op dit punt vrijwel gelijk dachten. En zo gaat het met vele conflictsituaties in de kerk van Christus. Vaak zijn er mensen bij betrokken die aan dezelfde kwaal lijden. En wat wij in anderen laken dragen we in eigen boezem mee: hoogmoed, eerzucht, heerszucht, begeerte naar macht.
Het is gemakkelijk om deze dingen neer te schrijven. Maar Christus zelf wijst dit aan als een kwaal waarmee alle discipelen behept zijn, d.w.z. de twee broers én de tien anderen. Waarom hebben die tien die twee zo fors aangesproken? En waarom sprak Christus hen allen aan? Omdat zij allen blijk gaven te leven uit een puur werelds beginsel. Ik weet dat dit een moeilijk punt is, waarop niemand graag wordt gewezen. Toch schuilt een van de grootste oorzaken van problemen, spanningen en conflicten in de kerk in deze hoogmoed. En het conflict wordt buitengewoon verscherpt door dat het zich in een kleinere of in een grotere groep kan voor doen. Hetzelfde probleem krijgt door de groepsvorming een bijna onoverwinnelijk karakter. Daarom roept Christus ons in dit stuk van zaken allen tot zich. En daar wordt het conflict geanalyseerd. Christus wijst het aan als puur werelds. Hier moet het verschil tussen kerk en wereld duidelijk worden. De oversten in de wereld oefenen heerschappij. En zij die groten worden genoemd, en dan voor weldoeners worden gehouden oefenen macht uit. Dat is de wereld! Vergrijp tegen de heerschappij van God. Machtsmisbruik, waarbij Christus niet wordt geëerbiedigd. Christus is de Heer. Christus heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Maar de wereld grijpt zelf naar de heerschappij. En zij trekt alle bevoegdheid aan zich. Van verwereldlijking in de kerk is sprake, wanneer er heerschappij wordt uitgeoefend. Wanneer er machtsmisbruik plaats heeft. En deze vorm van verwereldlijking is er op vele manieren in de kerk. Verwereldlijking van de gemeente is het wanneer wie dan ook maar wil heersen. We kennen het verschijnsel van de hiërarchie van Rome. Machtsmisbruik is het. Tirannie wordt het. Theologisch gefundeerd in een genadeleer, die overal klopt, maar nergens deugt. Wie zou durven zeggen, dat óns kerkelijk apparaat geen mogelijkheden biedt tot tirannie, tot heerschappijvoering over het erfdeel des Heren? De hiërarchie krijgt overal daar een kans, waar zondige mensen bezig zijn. We behoeven het niet te ontkennen. We moeten er tegen waken.
Maar laten we niet vergeten dat de hiërarchie kan toeslaan vandaag in de vorm van democratiseringstendenzen. De heerschappij van de groep, van de club, van hen, die óf als sterken, of als zwakken zich opstellen. Ook dat is wereld in de kerk. Puur wereld. Moderne wereld, maar in zijn wezen zo oud. Eén middel is er slechts in de gemeente om groot te zijn. Het is de weg van het dienaar-worden van allen. Wie onder u groot wil worden zal uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn. Er is maar één middel om die geraffineerde trek van ons hart, neigend naar heerszucht en hoogmoed, te bestrijden: dienaar worden, slaaf zijn. Niets is er, waarvan de wereld zo vol is vandaag als van keiharde tegenstellingen, keiharde opstellingen. En van niets is de wereld zo vér verwijderd, als van dit dienaar zijn, dit slaaf of knecht worden van allen. Mij niet gezien, zegt ieder van ons op zijn beurt. Wie wil de minste zijn? Wie wil de laatste zijn? Wie wil werkelijk dienen? En daarbij niet maar de rol van een slaaf spelen, maar het werkelijk wezen?
Daar zouden conflicten eindigen.

Het voorbeeld - het offer van de Zoon des mensen
Conflicten in de gemeente kunnen ontstaan, zo leert ons dit gedeelte uit het evangelie doordat:
1. Sommigen vooraan willen zitten en willen heersen;
2. allen precies hetzelfde zouden willen;
3. de manier van de wereld in de kring van de gemeente is binnen gedrongen.
Conflicten zouden kunnen eindigen, wanneer:
1. Allen zich tot Christus laten roepen;
2. we de wereld in eigen hart zouden leren kennen;
3. we bereid zouden zijn de ootmoed als een schort voor te doen en de ander werkelijk te dienen als een knecht.
In dit stuk van zaken wijst Christus ons op zijn voorbeeld. Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden maar om te dienen. Hij die als enige recht had, om te heersen, volstrekte heerschappij uit te oefenen, heeft die heerlijkheid afgelegd. Hij kwam om te dienen. Niet om zich te laten dienen, maar om zelf te dienen. En zoals Hij dat gedaan heeft, zo zullen wij dit ook doen.
Wij spreken slechts ongaarne over het voorbeeld van Christus. Maar Christus doet het hier. Gelijk . . . Gelukkig voor ons is Hij echter méér dan een voorbeeld. Hij is een verzoening voor onze zonden. Hij is gekomen om te geven. Hij geeft Zijn ziel. Tot een losprijs. In de plaats, of ten behoeve van velen. In deze gave van Zijn ziel heeft Christus het grote conflict, dat tussen God en de mens, tot een oplossing gebracht. Dit is het evangelie. En dit evangelie van de losprijs voor velen is uiteindelijk het laatste en het enige middel om conflicten tussen mensen werkelijk aan te vatten. Als deze losprijs ons met God verzoent, zal zij ons dan met de mensen onverzoend kunnen laten? Is dan dit bloed zo weinig krachtig?
Zij die elkaar bij het kruis niet kunnen vinden, bij dat kruis, waar de vijandschap, de hoogmoed, de heerszucht, gedood en verzoend werd, waar zullen zij elkaar wél vinden? Als het enige offer ons niet bij elkaar kan brengen, daar is de wereld in ons ongeneselijk en zal ze met de wereld buiten ons ondergaan. Daarom valt elk conflict onder het oordeel van het kruis. Moet daar de hoogmoed niet smelten?

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1983

De Wekker | 8 Pagina's

Persoons- en groepsconflicten in de gemeente van Christus (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1983

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken