Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Boekbespreking

15 minuten leestijd

Caspar Olevianus: „De vaste grond". Dat is de 12 artikelen . . . verklaard. Uitgave: De Vuurtoren - Urk 1980. 181 blz., ƒ 24,50.
De uitgeverij De Vuurtoren te Urk, die zich verdienstelijk maakte met een heruitgave van een groot aantal zeldzame uitgaven van Willem Teellinck, bracht ook een belangrijk geschrift uit de tijd van de Reformatie opnieuw onder bereik van de lezers. Caspar Olevianus is bekend omdat hij een bijdrage leverde in de opstelling van de Heidelberger Catechismus, samen met Zacharias Ursinus en meer dan de laatste vooral bij de invoering ervan in de Palts. Hij behoort tot de Duitse gereformeerde theologen, die aandacht vroegen voor de leer van het verbond.
Men kan deze verklaring van de Apostolische geloofsbelijdenis zien als een voorbeeld van een goede theologische en tegelijk ook praktische verklaring, die menigeen met vrucht zal opslaan, om dan te bemerken in wat voor geest de vaderen hun werk aan de catechismus hebben verricht.
Olevianus stelt het verbond centraal. De verlossing of verzoening wordt ons voorgesteld onder de gedaante van een verbond (blz. 6). De vraag naar de zekerheid van het heil is daarmee verbonden: „Opdat wij gewis en zeker zouden zijn dat er een bestendige eeuwige vrede tussen God en ons gemaakt is door het offer van Zijn Zoon . . . " Daarom vergelijkt God de zaligheid met een verbintenis en eeuwig verbond. Olevianus spreekt over dit verbond: van God uit. Niet van de mens uit gedacht, maar andersom. Zó behandelt hij dan de artikelen van het geloof ook: vanuit het centrum van het Verbond. Daarom ademt het werk overal de geest van het geloof.
Het kan bijzonder nuttig zijn, nu o.a. in de moderne theologie de hele verbondsgedachte omgekeerd wordt, vanuit de mens dus wordt opgezet, dit werk ter hand te nemen. Niet zo veel werken van Olevianus zijn overgebleven en nog minder beschikbaar. Daarom dankbaar voor deze uitgave!
Toen Olevianus ging sterven, kwam Johan van Nassau op bezoek met een vriend. De zieke sprak: „In deze ziekte heb ik goed geleerd wat de zonde is en hoe groot Gods majesteit is en dat het helemaal niet waar is, „dass wir Menschen Gott zu einem Gesellen haben wollen": dat het helemaal niet waar is, dat wij God als onze partner willen!" Als er toch geen verbond der genade en der verzoening was, van Gód uit!

W. van 't S.


Feeststoffen. Leerredenen gehouden door dr. H.F. Kohlbrugge. In leven predikant bij de Nederlandsch-Gereformeerde gemeente te Elberfeld. Vierde druk. Uitgeverij Boekencentrum BV, 's-Gravenhage, Echo, Amersfoort, Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften, Amsterdam, 372 pagina's, ƒ 36,90.
Kohlbrugge laat tot op de dag van heden een spoor na in de Nederlandse en Duitse kerkgeschiedenis. Bij hem is de reformatorische leer in de meest oorspronkelijke zin van het woord niets anders dan pure prediking. Wie de theologie van Kohlbrugge systematisch zou willen omschrijven, ontdekt altijd dat zijn bed te kort is en zijn dek te smal: men moet Kohlbrugge couperen, om hem in het raam van de systematiek te dwingen. Het kan ook niet anders. Men kan de levende verkondiging niet systematiseren, zonder het leven zelf in een dwangbuis te brengen.
Kohlbrugge leeft in de preek en hij leeft van de preek. En de preek is altijd weer volgens het centrale thema: de gerechtigheid Gods, geopenbaard in het evangelie, uit geloof en tot geloof. Dat is een volstrekte uiterlijkheid, het absolute „buiten onszelf", waardoor de radicale innerlijke verwordenheid wordt bedekt en wordt genezen.
Deze Feeststoffen werden omstreeks 1850 gehouden op de hoge feesten van de christelijke gemeente. Zij blijven vanwege het eeuwige evangelie actueel. Men moet Kohlbrugge leren lezen, evenals men Calvijn moet leren verstaan. Men moet hem leren kennen in zijn eigen bedoeling, die zo zeer is ingegeven door de mening van de Geest. Wie haast heeft, wage zich niet aan hem. Maar wie hongert en dorst naar de gerechtigheid, écht, die zal het geduld hebben om te lezen en te eten en te drinken. Dit evangelie overleeft alle modernisme van filosofische, politieke, humaniserende prediking van vandaag. Als die storm is voorbijgegaan, zal in het spoor van de vernieling hier en daar een stille in den lande zijn, die zegt: waarom onthield men dit aan ons? En zij zullen zich in het Evangelie verblijden, al is het niet juist een feestdag volgens het kerkelijk jaar. Maar: Wat is immers ons „kerkelijk jaar" bij de dag der zaligheid? Zeg: Aan de armen wordt het evangelie verkondigd. En zalig, die zich aan Mij niet ergert. (Matt. 11).

W. van 't S.


Het luisterboek. Bij de uitgeverij Intermedium verschenen weer drie delen in deze serie. De Bijbelverhalen, geschreven en gelezen door Sipke van der Land, zullen zonder twijfel veel kinderen boeien. Er zijn 8 verhalen uit het Oude Testament en 10 uit het Nieuwe Testament opgenomen. De teksten zijn van omlijstende muziek voorzien. De prijs van deze cassette is ƒ 19,50. Vooral kinderen zullen er naar luisteren en dat is ook de bedoeling.
Een ander luisterboek heet:De Heer is mijn Herder. Het bestaat uit Psalmen, gelezen door ds. Leen van Ginkel. In totaal worden 22 psalmen gelezen. Bij wijze van omlijsting worden gedeelten uit de werken van Buxtehude, Marpurg, C.P.E. Bach en Telemann ten gehore gebracht. De prijs van deze cassette en het boekje, waarin de psalmen zijn opgenomen en gedrukt, bedraagt ƒ 25,~. Men vindt hier een mooi geschenk voor bejaarden en zieken.
Het derde luisterboek geeft twee meditaties geschreven en gelezen door ds. J. Overduin. De eerste meditatie gaat over: God en het lijden. De tweede heeft als opschrift: Met welke God heb ik te doen. De titel van dit luisterboek is gelijk aan die van de laatste meditatie. Velen zullen de stem van ds. Overduin kennen en in zijn woorden de stem van de Goede Herder vernemen. De prijs van deze laatste cassette met boekje bedraagt ook ƒ 25,-.
Het luisterboek is - zo blijkt ook nu weer - een middel om met het gesproken woord mensen met Gods Woord te bereiken.

W. van 't S.


Jac. Lelsz: „De dingen worden stiller." Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, Kampen, ƒ 9,50.
Tweeënveertig verzen van de onder ons bekende dichter. Hij weet een kleinigheid te zeggen en zegt toch hartgrondig. Het eerste vers laat het zien:
Woorden zijn niet om goede sier mee te maken. . .
Men gebruike ze hartgrondig doch mondjesmaat.
Een ijdel vertoon hoort men in dit boekje niet. Toch ziet hij en ik, wat wij niet zien (blz. 11): De Paschlaan, Apeldoorn, Hoogsoeren, Bunschoten:
Zij zingen de psalmen
op hele noten
en houden niet
van halve waarheden.
De waarheid is heel bij Lelsz. Hoe kan het? Omdat er in alles een geheimenis is:
Bedwing het woord
dat pralend is
maar vreemd aan dit
geheimenis.
De dingen worden stiller - een heel mooi boekje voor een ogenblik van zwijgend luisterend meedenken.

W. van 't S.


De Dordtsche Leerregels, uitgelegd door dr. J.C.S. Locher, in leven Hervormd predikant te Leiden. Tweede druk. Uitgeverij Boekencentrum BV 's-Gravenhage; Echo, Amersfoort; Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften, Amsterdam. 114 pagina's, prijs ƒ 19,90.
In het door hem geredigeerde „Kerkblaadje" publiceerde dr. J.C.S. Locher deze uitlegging van de Dordtsche Leerregels. Locher verwierf bekendheid, door zijn dissertatie over de leer van Luther over Gods Woord (Amsterdam 1903). Hij was thuis in de reformatorische theologie en heeft met deze kennis toegerust de leerregels verklaard. Daarbij gaf hij blijk, telkens weer, van een benadering die van Kuypers interpretatie beduidend afwijkt. Door de verklaring heen speelt de nog altijd theologisch actuele confrontatie Kuyper-Kohlbrugge. Dit doet geen afbreuk aan de leesbaarheid van het boek. Integendeel. Ook de ontwikkeling van kerk en theologie na de synode van Dordt speelt mee. „Hoe langer hoe minder kon men de oogen er voor sluiten, dat niet allen in de Gemeente wedergeboren waren." Daardoor zou dan de leer van de rechtvaardiging op de achtergrond zijn geraakt en die van de wedergeboorte naar voren gedrongen. Dat er inderdaad een spanning optrad is onmiskenbaar. De zaak blijft echter bijzonder actueel. Daarom is het goed, ook dit geluid op te vangen en te verwerken.

W. van 't S.


M. de Klijn: „De invloed van het Calvinisme op de Noord-Nederlandse landschapsschilderkunst". 1570-1630, 63 blz., Willem de Zwijgerstichting Apeldoorn, ƒ 8,50.
Dr. A. van Brummelen: „De bevinding in de prediking", 40 blz., Willem de Zwijgerstichting Apeldoorn, ƒ 7,50.
De Willem de Zwijgerstichting, Postbus 642, 7300 AP te Apeldoorn brengt ieder jaar twee brochures van formaat en omvang als deze. Wanneer men donateur van de stichting wordt of is voor een minimumbedrag van ƒ 10,- per jaar worden ze u toegezonden. De twee geschriften die in 1982 werden uitgegeven houden zich met een nog al verschillende problematiek bezig. Het eerste schetst de houding van het calvinisme ten opzichte van een klein onderdeel van de kunst. De schrijver gaat in zijn concept uit van een calvinisme voor de intrede van de z.g. Nadere Reformatie. Dit calvinisme heeft bewerkstelligd, dat het menselijke hart en de menselijke geest zich openden voor een dieper en allesomvattender verstaan van de bijbel, terwijl het de kerken sloot voor een kunst die dit begrip in religieuze zin aanschouwelijk wilde maken. Zó kon het zichtbare, het „profarie" tot bloei komen.
De schrijver geeft aan het einde van zijn werkje enkele voorbeelden waaruit zijn beschouwing nader wordt toegelicht. Het calvinisme en de kunst is op zichzelf reeds een omstreden onderwerp. Het is goed om déze beschouwingen in het overwegen van het vraagstuk te betrekken.
De tweede brochure raakt een onderwerp, dat altijd weer blijft boeien: de bevinding. Zo lang een mens iets beleeft, persoonlijk meemaakt en zó er bij is, is er sprake van leven. Dit geldt ook het leven van het geloof. De ervaring leert: experientia docet. Al bevindende leert en leeft men. Zeer terecht zegt dr. Van Brummelen aan het begin van zijn opstel dat het nodig is van te voren klaarheid te verschaffen over het begrip bevinding. Daarbij sluit dr. Van Brummelen zich aan bij dr. Brienen, die de bevinding omschreef als beleving van het geloof. Wanneer de bevinding in verband gebracht wordt met de prediking, ziet de auteur een belangrijke voorwaarde in het evenwicht dat moet bestaan tussen een voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking. Met Van Andel zegt de schrijver nu: „eerst dan is een preek bevindelijk, als zij handelt over wat in het hart der gelovigen omgaat". Er valt een afkeer te constateren van déze prediking, omdat zij ontdekkend is, óf omdat zij descriptief zou kunnen zijn.
Luisterend naar de Schrift, naar de confessie en naar enkele klassieke geschriften (Calvijn, Bunyan en Brakel) komt Van Brummelen tot de zaak zelf, die hij benadert als het terrein van de binnenkamer, waarin dan nog weer een buitenhof en een binnenhof valt te onderscheiden, terwijl een apart stukje is gewijd aan de leerschool die men hier dient te ondergaan. Een vergelijking met moderne ervaringstheologie aan het eind is nuttig, omdat velen geporteerd lijken te zijn voor een zoeken van ervaringen, die niet een Godsontmoeting is in de openbaring van het Woord.
Het boekje van dr. Van Brummelen verdient onze aandacht omdat het een weg wijst, die men zou kunnen gaan in het omschrijven van een zaak, die omdat zij zo persoonlijk of individueel is, moeilijk te objectiveren is. Ieder schrijven over bevinding betekent een objectiveren van de subjectiviteit(en), hetgeen eo ipso, d.w.z. van de zaak uit, altijd een hachelijke onderneming blijft. Maar hier is een weg, die begaanbaar is.

W. van 't S.


Drs. H.J. Schilder. „Ik kom thuis". Uitgegeven door uitgeverij Vijlbrief. Haarlem.
Dit boek bevat een aantal Schriftoverdenkingen van de emeritus-hoogleraar Oude Testament te Kampen. De schrijver heeft in deze bundel ook enige illustraties opgenomen en tevens enkele gedichten van Tiemen W. Rasker. Van de reden daarvoor geeft de auteur uitvoerig rekenschap in zijn inleidend woord, dat als ondertitel meekreeg: ter inleiding - op zowel eigen proza als ontleende poëzie.
Tevens geeft de schrijver in dit eerste hoofdstuk - waarboven staat „Permanente meditatie " - zijn kijk op het omgaan met de Schrift. Alleen al dit voorwoord is een (korte) studie op zichzelf, richtinggevend en ook wel vragen openlatend.
Ook de meditaties zelf zijn stuk voor stuk diepgravende Bijbelstudies. Een voorbeeld van de stijl, waarin het geschreven is: „Ziedaar tegelijk het oordeel over a-sociale verwezenlijking van woonidealen in de kerkstad. En pal daartegenover staat de belofte van de vreedzame vervulling van het woonideaal onder de volkeren der wereld wanneer deze de kerkstad gaan zoeken." Ik moet zeggen dat de hoogleraar het zijn lezers van „de Reformatie " - waarin deze artikelen eerst verschenen zijn - niet gemakkelijk heeft gemaakt, maar wel veel heeft geboden.
De noten doen vermoeden dat de hoogleraar deze meditaties ook met het oog op de studenten schreef. Wanneer ik „ter inleiding" goed gelezen heb werden ze in „De Reformatie " niet opgenomen. Vermoedelijk zouden de meeste lezers ze ook niet begrepen hebben. Ze staan niet tussen de tekst, dus wie ze niet begrijpt kan ze overslaan, voor hen die ze wel verstaan én een uitgebreide bibliotheek hebben kunnen ze een aanzet geven tot verdere studie en dieper nadenken.
Persoonlijk verwacht ik van meditaties altijd nog iets meer, maar schrijvers afkeer van „Transcendente meditatie" - die ik overigens deel - heeft hem wellicht tegenover dat meerdere wat al te voorzichtig gemaakt. Maar opdat de broeders van de Broederweg niet denken dat we „altijd" wat tegen hen willen hebben en een waarheid achter de waarheid gaan zoeken hier niet meer daarover.
Het boek is gebonden - een zeldzaamheid in deze tijd (compliment aan de uitgever) - en voorzien van een uitgebreid tekstregister. Al met al: dit boek van 160 pagina's is een waardevol bezit.

P.N.R.


J. Kamphuis, Over de heiligheid van de gemeente. De kerkelijke tucht. Copiëerinrichting Van den Berg - Broederweg 6 - Kampen 1982, 192 blz. ƒ 20,-
In De Reformatie publiceerde prof. J. Kamphuis van maart 1977 tot maart 1979 artikelen over de kerkelijke tucht. Die artikelen zijn nu in boekvorm verkrijgbaar. Ze bevatten een commentaar op de artikelen 72 t/m 77 van de Kerkorde der Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), naar de redactie Groningen 1978.
De artikelen over de tucht zijn in het gereformeerde kerkrecht en in de gereformeerde kerkordes eigenlijk sinds 1581 onveranderd gebleven. Men kan zeggen: ze waren vanaf het begin zo goed geredigeerd, dat hier het ideaal werd onder woorden gebracht. Dat is waar. Maar het bleef een ideaal. De gereformeerde kerken hebben altijd moeite gehad om het te verwezenlijken. De werken van Teellinck, Koelman, Voetius en vele anderen bewijzen dat. Maar juist omdat het zo afgerond was, dit ideaal, bleef het een dankbaar onderwerp voor becommentariëring. Van tal van scribenten bezitten we dergelijke verklaringen en daarbij voegt zich deze van prof. Kamphuis.
Kennelijk is zij geschreven voor de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt). Uit literatuur, uit toespelingen op situaties blijkt dit. Maar ook zó kan men met vrucht dit werk raadplegen, dat beschouwd kan worden als het afscheid van de auteur van het kerkrecht in die zin, dat hij geroepen werd om dogmatiek te doceren. Een paar kleinigheden. De opvatting van het begrip kerkelijke tucht is dunkt me te smal. Tucht wordt betrokken op slechts één aspect van het oorspronkelijk veel breder begrip. Men moet zeggen dat de auteur zich in goed gezelschap bevindt. De catechismus spreekt ook van christelijke ban of uitsluiting uit de christelijke gemeente (Z. 31). Maar daar had de latijnse tekst ook reeds het ruimere ecclesiastica disciplina, terwijl de oorspronkelijke Duitse tekst spreekt van busszucht. Het zijn evenwel alle twee uitdrukkingen van ruimer strekking dan die van het begrip ban. Zo staat het in de catechismus. De NGB levert niet een ander beeld. Art. 28 spreekt over tucht in een ruime betekenis: onderwijzing én tucht, en ook hier biedt het latijn disciplina (Art. 28 en 29). Op één plaats wordt de excommunicatie genoemd (met hetgeen er aan vast zit) als onderdeel van het geheel. In de regel heeft het woord tucht een brede betekenis. Met het oog daarop lijkt mij de definitie die prof. Kamphuis geeft van de tucht te smal: „de rechtelijke handhaving van de heiligheid van de gemeente Gods tegenover de destructieve macht van het kwade in het leven van hen die zich binnen de gemeente door de zonde laten beheersen" (blz. 29). Disciplina of tucht bevat alles wat geschiedt om het Woord Gods in het leven van Gods kerk tot heerschappij te brengen. Intussen zullen we toch ook weer niet vergeten, dat de definitie hierboven wordt toegepast op de artikelen die speciaal op de bestrijding van de zonde in de gemeente gericht zijn. Dan klopt het wel. Maar in z'n algemeenheid is het zo te smal geformuleerd. De opmerking van blz. 91 over onze kerken klopt niet. Het probleem van de plaats van de diaken laat ik hier rusten. In art. 30 NGB behoren de diakenen bij de kerkeraad. Evenmin als het daar tot vermenging van roeping leidt, geschiedt dit in de „herziene" kerkorde van onze kerken, hetgeen prof. Kamphuis gemakkelijk kan constateren, wanneer hij niet alleen een blik werpt op art. 37, maar slechts één artikel verder: 38, par. 2 waar sprake is van de mogelijkheid van afzonderlijke vergaderingen van dienaren met ouderlingen ter behandeling van de zaken van opzicht en tucht. Een vermenging van roepingen staat niet te vrezen, zolang we bij de bevestiging ons herinneren, wat in het oude formulier staat: blijvende die ambten nochtans altijd onderscheiden.
Een kleine aantekening verdient de eerste noot op blz. 142, waar wel wat argeloos is afgegaan op het getuigenis van K. Vos in het mennonitische Lexicon. Kühler had gelijk, ook wat Emden 1578 betreft, dat de vijandschap na het gesprek groter was dan voordien. De dopersen hebben zich in het protocol dat in 1579 werd gedrukt helemaal niet herkend; evenmin als het gesprek op een vriendelijke toon en in de geest van christelijke liefde werd gevoerd. Wie het protocol leest, doet wel een andere ontdekking, en de vier en een halve dag, waarop men over de ban disputeerde, was beslist niet de beste tijd van het hele gesprek. Maar dit zijn maar kleinigheden, in vergelijking waarmee het vele goede materiaal verre de overhand heeft. Ook binnen onze kerken zal men zich met vrucht in dit werk verdiepen.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1983

De Wekker | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1983

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken