Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

God en het lijden (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

God en het lijden (6)

9 minuten leestijd

De eeuwen door hebben mensen - juist zij die wilden luisteren naar de Schriften - geworsteld met het leed, omdat zij uit de Schriften niet alleen de HERE leerden kennen als de God die de zonde straft aan een mensheid die zich van Hem afkeert, maar toch ook als de God van genade in Jezus Christus!
Christus droeg toch onze ziekten, ons lijden? En waarom moeten wij dan nog zo veel lijden? Het mag zo zijn dat soms in het leven - ook van gelovigen - het verband is aan te wijzen tussen een bepaalde zonde en het lijden dat wij moeten ondergaan, meestal is dit niet het geval. En dan komen we, juist omdat God de genadige is, niet klaar met het leed, dat zo weegt.
Het probleem klinkt duidelijk door in de schriften. We denken aan de psalmen. „Hoe lang, HERE? Zult Gij mij voortdurend vergeten? (ps. 13)". „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? (ps. 22 ) " Denk ook eens aan ps. 42 en 43! En dan ps. 44: „Waak op! Waarom slaapt Gij, Here?" We kennen de nood van ps. 73. Vele andere psalmen zijn te noemen.
Het boek Job heeft uiteraard een eigen plaats. Job wordt in zijn lijden geconfronteerd met de woorden van zijn vrienden: Elk lijden heeft iets te maken met onze eigen zonden en is duidelijk een stuk straf op aanwijsbaar kwaad.
Dit gaat, naar Jobs vaste overtuiging, niet op. Job weet best dat hij een zondaar is. Maar God is anders dan de God van het vergeldingsdogma. Op zijn wijze brengt Job in zijn nood onder woorden, dat de HERE niet doet naar onze zonden.
Job schreeuwt: God, waar bent U? Hij gaat daarbij over de schreef. Hij maakt aan God de vreselijkste verwijten. Toch tast hij in zijn strijd, waarbij hij zonde op zonde stapelt, naar het geheim van het evangelie. Hij richt zijn schreiend oog op God, opdat God hem recht moge doen tegenover God (16:20 en 21). „Ik weet dat mijn losser leeft (19:25)".
Hij blijft er aan vasthouden, dat God de God is van genade en bevrijding. Hij gaat te ver, maar hij beseft: Ik moet er met mijn God uitkomen! Ja, dit geldt voor Job en voor iedere gelovige: Ik moet er met God uitkomen. Ik heb aan geen ander antwoord behoefte dan aan het antwoord van God! En de HERE wil ons antwoorden.
De HERE antwoordt Job in een onweder. We lezen dit in de hoofdstukken 38 tot 41. Wat is de bedoeling van die machtige woorden?
Terecht heeft men in deze hoofdstukken wel eens een dichterlijke parallel met Genesis 1 gezien. De HERE herinnert hier aan zijn goede scheppingsbedoelingen. Hij heeft de aarde gegrondvest. Het was alles zeer goed. De aarde was een goede leefruimte voor mens en dier.
Hij heeft de zee met deuren afgesloten. Hij deed het licht geboren worden midden in de duisternis. Hij geeft sneeuw en regen, dauw en rijp. Hij bestuurt de sterren. Hij zorgt voor de leeuw en de raaf, voor de gemzen en de wilde ezels; voor de woudos en voor de struisvogel.
Zelfs klinkt in deze hoofdstukken door, dat de HERE de boze machten, die binnen gedrongen zijn in zijn goede schepping, overwint en beteugelt. De HERE grijpt de zomen der aarde aan, zodat de goddelozen van haar worden afgeschud (Job 38:13). In hoofdstuk 40 gaat het weer over de Leviathan, die door God wordt overwonnen (Job 40:20).
Het is dus in de eerste plaats een troostrijk antwoord, dat Job hier ontvangt. Het is echt het antwoord van de Vader, die bij zijn kind Job wil zijn in alle ellende.
Eigenlijk zegt de HERE hier, dat Job ten diepste gelijk had. Job heeft wel zwaar gezondigd door aan God zulke felle verwijten te maken; hij belijdt straks ook zijn schuld voor de HERE. Toch had hij door alles heen gelijk. Want de HERE geeft zijn schepping en zijn mens niet voorgoed over aan de machten van het kwade en van het lijden. Hij is de Bevrijder van zijn volk. Hij redt van schuld en dood. „Hij is het, die ons zijn vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonde . . . "
Straks zal de HERE het ook zeggen tot de vrienden van Job : „ . . . gij hebt niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job".
Job heeft er goed aan gedaan, dat hij zich tegenover zijn vrienden heeft beroepen op God, die Schepper en Verlosser is van het mensenleven.
Toch klink in dit machtige antwoord van de HERE ook een verwijt aan Jobs adres. Job en wij allen moeten namelijk ook goed weten, dat de HERE de souvereine God is, die voor ons niet na te rekenen is. Bij de beteugeling van het kwaad gaat God zijn eigen weg. De vele vragen, die op Job neerregenen in Gods antwoord, moeten hem doen beseffen, dat God zich niet ter verantwoording laat roepen door ons. God levert zich niet aan Job uit!
„Waar waart gij toen Ik de aarde grondvestte?" Ik ben de Souvereine! Ik overwin het kwade, maar daarbij kies Ik zelf mijn wegen. In zijn strijd tegen het kwaad kan God het zich veroorloven het soms ook weer toe te laten. Ja, God kan het kwade dan nog gebruiken, hanteren voor zijn eigen doeleinden.
Het boek Job zal steeds weer open moeten midden in de werkelijkheid van ons lijden. In deze oud-testamentische hoofdstukken spreekt reeds de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Job en wij allen mogen bouwen op de vaste grond van zijn beloften en van zijn verbond. Maar Hij is heilig in al zijn wegen! Hij beschikt in liefde over ons. Wij beschikken niet over Hem.
Job heeft dit antwoord verstaan. „Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd." Worstelend met de HERE heeft Job rust gevonden, hoewel hij nog midden in de ellende zit.
Naast deze machtige woorden uit het boek Job mogen we andere schriftwoorden plaatsen. In deze weken rond pasen lezen we in de gemeente graag het schone hoofdstuk 1 Corinthiërs 15. Paulus schrijft: „Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand is de dood, want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen (1 Corinthiërs 15:25, 26 en 27)".
Hier wordt de overwinning, die Christus behaald heeft op de machten, weer onderstreept. Tegelijk wil de Here ons ook in 1 Corinthiërs 15 de les leren, die Job moest leren: Hij is Overwinnaar, maar bij de uitwerking van zijn overwinning gaat Hij zijn eigen weg! „Hij moet als koning heersen, totdat. . ."
Totdat! Daar ligt in opgesloten, dat de verslagen nachten nog niet geheel zijn uitgeschakeld. Daartoe voert de Overwinnaar nog een duurzame worsteling.
Dr. A.A. van Ruler schrijft ergens: „Dat vraagt tijd. Daar is de hele wereldgeschiedenis voor nodig, benevens de wederkomst, het laatste oordeel, de opstanding der doden. God doet de dingen nooit in een handomdraai".
Wij vragen dan natuurlijk: God had het na Goede Vrijdag en Pasen toch wel in een handomdraai kunnen doen? God had zo veel lijden kunnen voorkomen.
Van Ruler wijst er dan nog op hoe het precies in 1 Corinthiërs 15 staat. In vers 27 staat niet voor niets, dat de machten nu al aan zijn voeten zijn onderworpen. Ze vormen a.h.w. reeds de voetbank van Christus. Dat wil zeggen: Ze hebben zelfs nog een nuttige dienst te verrichten in het grote plan van God.
Daarmee wordt God niet in opspraak gebracht, alsof Hij medeplichtig zou zijn aan de ellende. De HERE was er niet medeplichtig aan, toen de zonen van Jacob hun broer Jozef verkochten naar Egypte. Het was het kwaad, dat zij tegen Jozef bedreven. Maar verwonderd zegt Jozef later: „Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden (Genesis 50:20)".
Met al hun kwade bedoelingen heeft de HERE hen toch ingeschakeld in zijn heilsplan. Reeds eerder had Jozef het zelfs zó gezegd: " . . . want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uitgezonden". Hij ziet God dus reeds handelen als de broers hun boze plannen smeden.
Geweldige gedachte! God is niet medeplichtig. Je kunt niet zonder meer zeggen, dat God dit alles heeft gewild. Maar God houdt vast aan zijn heilsplan. Hij laat het niet doorkruisen door welke duivelse bedoelingen ook. De duivelse bedoelingen moeten zelfs dienen in Gods plan. Gods kinderen mogen weten: We zijn, hoe de machten zich ook weren, besloten in Gods vaderlijke hand.
De automobilist, die in dronkenschap het kind doodrijdt, is schuldig. Dit leed is niet aan God te wijten. Waarom heeft God het dan niet voorkomen? Ach, ouders mogen soms ook achteraf zeggen: We hebben in dit leed iets gemerkt van Gods vaderlijke hand. We zijn er dichter door bij Hem gekomen.
De machten moeten, volgens 1 Corinthiërs 15, nog dienen in Gods plan. Moeten ze nog dienen tot loutering van Gods kinderen? Onwillekeurig zien we weer naar Job.
Zondag 10 van de catechismus krijgt nu toch wel diepte. Ik ben in mijn lijden niet aan het toeval overgelaten. Wat zou ik dan eindeloos eenzaam zijn! Nee, ik heb in het lijden te maken met Gods vaderlijke hand. Vader regeert! Tot onze troost mogen we naast zondag 10 het dertiende artikel uit de nederlandse geloofsbelijdenis leggen: „Want zijn macht en goedheid zijn zo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen'.

A.W. Drechsler

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1983

De Wekker | 12 Pagina's

God en het lijden (6)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1983

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken