Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Almachtige Genade

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Almachtige Genade

8 minuten leestijd

En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal hen uit mijn hand rukken. Johannes 10:28

Genade is onverdiende gunst. Door onze zonden hebben wij de eeuwige dood verdiend, en nu zegt de Heere Jezus in de tekst, dat Hij zulke mensen het eeuwige leven geeft. Dat is puur genade. Het is ook vast en zeker. Leest u de tekstwoorden nog maar eens na. „Ik geef". Dat is Zijn almachtige genade. Het is een groot wonder.
Wat betreft het verband en de betekenis van de tekst, moeten wij die zien in het licht van de gelijkenis van de goede Herder aan het begin van dit hoofdstuk. Christus zegt immers in vers 27: Mijn schapen horen Mijn stem en zij volgen Mij. Hijzelf verzekert Zijn schapen - al de Zijnen - dat zij niet verloren zullen gaan in eeuwigheid.
Reeds in het Oude Testament openbaart de Heere God Zich als de Herder van Israël (Eze. 34:31). Hij spreekt dat volk aan als „schapen mijner weide". Hij toont dat ontrouwe volk Zijn onveranderlijke verbondstrouw. Hij spreekt tot hen door de profeet van Christus als de „enige Herder" (34:23). De scherpe tegenstelling tussen Christus en de huurlingherders van Israël is er ook bij de profeet. Het waren dus bekende woorden voor de mensen van toen. Dat is toch ook zo voor ons en onze kinderen? Wij mogen tevens de lijn zien die Jezus trekt. De beloofde goede Herder is gekomen.
Hij spreekt hier van al de Zijnen als „Mijn schapen". God de Vader heeft zo Hem gegeven als loon op Zijn volbracht werk. Al die schapen zijn Hem zo dierbaar, dat Hij Zijn leven voor hen heeft gegeven (vs. 11). Hij heeft ze gekocht met de dure prijs van Zijn bloed. Dat is het geheim van dit „Mijn".
En wie zijn nu die schapen? De Schrift stelt heel duidelijk dat we geen schapen zijn door geboorte, maar door wedergeboorte. De Heiland zegt immers tot de ongelovige Joden, „Gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van Mijn schapen" (vs. 26). Velen stonden zelfs vijandig tegenover Christus. Ze hoorden en volgden Hem niet. Maar de schapen horen Zijn stem en zij volgen Hem. Er is dus duidelijk onderscheid tussen mensen en mensen. Daarom vermaant de apostel ze indringend: „Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf" (2 Kor. 13:5).
De Heilige Geest maakt ons levend. Hij schenkt ons het geloof als gave Gods door het Woord. Dat geloof openbaart zich in het horen van de stem van Christus als de goede Herder. Hem volgen betekent in Hem geloven. En: „Wie in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven" (Joh. 3:36). Hij heeft het verworven en Hij geeft het uit genade. Daarin openbaart Hij Zijn grote zondaarsliefde. Hoe meer wij Zijn stem horen, hoe meer wij Hem en Zijn allesomvattende liefde leren kennen. Dan komt er in ons leven ook die hartelijke wederliefde tot Hem. Dan gaan wij ons verwonderen over Zijn almachtige genade.
Hij zegt ons dat de schapen „horen". Maar nu moeten wij dit „horen" niet verwarren met verstaan. Denk slechts aan de discipelen. Ze hoorden, maar wat was er veel in de woorden van hun Meester, dat ze niet verstonden! En hoe was het met hun volgen, hun geloven en hun wederliefde? Ook de profeet Ezechiël spreekt van schapen met nog vele gebreken. Ga het maar na in hoofdstuk 34. De dichter belijdt ootmoedig: „Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond". Er is een grote verscheidenheid onder de schapen. Maar ze hebben met elkaar gemeen dat ze niet meer zonder Christus als de goede Herder kunnen. Is dat ook zo in uw en in jouw leven?
„Mijn schapen". Dat zijn mensen die de Heere Jezus roept, die Hem volgen en. . . dienen. Het beeld van de schapen is dus niet volledig. Dat wordt helaas wel eens vergeten. Dienen we de Heere met ons gehele hart? Belijden wij Hem voor de mensen? Zijn wij een licht en een zout in deze duistere en verdorven wereld? Daar hebt u de diepe betekenis van dit „Mijn schapen".
Zij mogen tot hun troost en bemoediging horen dat Christus in de tekst niet spreekt van hun gebrekkige liefde voor Hem, maar van Zijn eeuwige en onveranderlijke liefde voor hen, van Zijn almachtige genade. „En Ik geef hun het eeuwige leven".
„Ik geef". Dat staat in de tegenwoordige tijd. Dus het omspant tijd en eeuwigheid, heden en toekomst. Het eeuwige leven dat Jezus geeft aan allen die in Hem geloven begint hier. Daarom als wij het in dit leven niet deelachtig worden, dan zullen wij het eeuwig missen. Het eeuwige leven is leven dat in beginsel verlost is van de zonden, de dood en de macht van de vorst der duisternis. Het is meer dan de herstelling van het leven dat Adam oorspronkelijk bezat. Hij kon en heeft het verloren. Maar allen die van Christus het eeuwige leven ontvangen zullen niet verloren gaan in eeuwigheid. Dat zegt de tekst.
Jezus zelf geeft ons de betekenis van het eeuwige leven in het heden in Zijn hogepriesterlijk gebed. Daar zegt Hij: Dit is het eeuwige leven, de ene ware God te kennen en Jezus Christus (Joh. 17:3). Dat is een kennen met hoofd en hart, een kennen waarin iets weerspiegelt van Gods kennen van Zijn Volk. Hij zegt door de profeet Amos tot Israël: „Uit alle geslachten van den aardbodem heb Ik ulieden alleen gekend" (3:2). Waren al die andere volken de Heere onbekend? Natuurlijk niet. Hij kende ze allen. Maar Hij liet Israël weten dat Hij van dat volk een bijzondere en persoonlijke kennis had, een kennis in liefde met heel Zijn hart. Het is een kennen van God en door Hem gekend zijn, levend in nauwe en tere gemeenschap met Hem. Dat is het eeuwige leven hier en nu. Dat is het leven dat Christus geeft aan de Zijnen. En wat nu nog in beginsel is, dat zal straks volmaakt zijn. Dan zal niets die volzalige gemeenschap meer verstoren. Dan zullen we ten volle kennen. Dan zullen wij de Koning-herder zien in al Zijn heerlijkheid en schoonheid. Ik kan het u niet zeggen wat dat zal zijn. Het eeuwige leven betekent inderdaad dat het beste nog komt. Dat is nu de hoop die niet beschaamt. Christus zegt, „Ik geef hun". Hij maakt zwakke en dwalende schapen erfgenamen van het eeuwige leven.
„En zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid". Vervult de vrees misschien uw hart dat u uzelf toch nog bedriegt? Zegt u soms tot uzelf: Het zal wat zijn om voor eeuwig verloren te gaan? Ziet u op uw falen, uw struikelen en vallen, uw zonden? En de boze laat u geen dag met rust? Dus er wordt altijd weer aan u gerukt?
Lees dan de laatste zin van de tekst nog eens heel goed. Daar wordt ook gesproken van „rukken". Er wordt dus aan allen die van Christus zijn gerukt. Wat heeft satan in samenspanning met de wereld van toen aan Jezus gerukt tot het laatste toe. Gezien dat dat Zijn deel was in dit leven, mogen de Zijnen dan een ander deel verwachten? Er is altijd wel iets of iemand die aan ons rukt. Dat hebben de schapen van Christus met elkaar gemeen.
Als u nog een vriend van de wereld bent, dan laat de wereld u wel met rust. Als u nog in de macht van satan bent, dat valt hij u niet lastig. Direct na zijn bekering heeft Paulus ervaren dat er van alle kanten aan hem gerukt werd. Wat werd er niet aan de eerste christenen gerukt! Heel de geschiedenis van de kerk getuigt eenparig van dit „rukken". Maar die geschiedenis bevestigt tevens de waarheid van de tekst: „En niemand zal hen uit Mijn hand rukken". Jezus toont ons hier Zijn „hand", die aan het kruis doorboorde hand. Die hand is nu het beeld van Zijn almacht en bewaring, van Zijn genade en liefde. Met die hand houdt Hij al de zijnen voor eeuwig vast. In Zijn hand zijn we zo veilig. Niemand kan ons uit Zijn hand rukken. Daarom zoek het toch niet in uw vat op Hem, maar in Zijn vat op u, in Zijn almachtige genade en onveranderlijke liefde en trouw. Hij doet wat Hij zegt: „En Ik geef hun het eeuwige leven". Hij is de volkomen Zaligmaker.

Nijkerk, A. Stehouwer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1983

De Wekker | 8 Pagina's

Almachtige Genade

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1983

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken