Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ambt in discussie (XIV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het ambt in discussie (XIV)

8 minuten leestijd

Onze mogelijkheden
Tot nu toe hebben we een sterke nadruk gelegd op het priesterschap van alle gelovigen. Het is veel en veel rijker dat wij gewoonlijk beseffen. Het zou geactiveerd moeten worden, zo veel als maar mogelijk is. En daarmee bedoelen we twee dingen. Er is meer, veel meer mogelijk, dan wij ons realiseren. We zouden die mogelijkheden moeten uitbuiten. En we zouden weer terug moeten naar het ideaal van de Reformatie. Deze stelde tegenover het gewijde priesterschap, waarvan de leken afhankelijk waren, de belijdenis dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden en niet door een gewijde priester. Dat opent een zeer weids perspectief. Daarbij verbleken eenvoudig alle eisen of verlangens, die wij hebben en die onder ons gehoord worden. Wie leert zien, dat het de roeping van iedere christen is, om zijn naaste van dienst te zijn met het eeuwige evangelie, zal constateren, dat onze verlangens daarbij ver ten achter blijven.
Maar dan bedoelen we in de tweede plaats, dat de activering van het priesterschap van alle gelovigen moet blijven binnen de grenzen van de mogelijkheden, die de Schrift wijst. Ambt en gemeente horen bijeen. Het ambt vervangt de gemeente niet. Al zou bij Rome de hele gemeente wegvallen, maar de hiërarchie zou blijven bestaan, dan bestond de kerk op die manier voort. Maar dat is bij ons niet zo. Het ambt is er niet zonder gemeente. Maar omgekeerd: zo lang de gemeente hier op aarde is, heeft zij de ambten nodig. En die ambten dienen er te zijn naar de Schrift. Een andere mogelijkheid hebben wij niet. Onze mogelijkheden worden begrensd door de Schrift en wat zij zegt.

Selectie?
Nu komt er een element in de discussie, waarbij we goed hebben toe te zien. Ik schrijf de vierde vraag nog eens over: „Is er niet een tegenstrijdigheid in om enerzijds te handhaven dat de gaven „herkend" moeten worden, (oplettend wat God geeft) en anderzijds vooraf te selecteren: daar kan die gave verschijnen en daar niet?" Deze selectie-vooraf wordt in de toelichting daarna toegelicht met het beeld van de computer. „Hoezeer de chr. geref. kerk dat zal afwijzen, de motivering tot de stelling dat de vrouw niet toegelaten kan worden tot de Ambten (Diensten) in de kerk, vind ik veel weg hebben van een computerconclusie". Je stopt een paar teksten in de computer, en alles wat je er daarna instopt is van de baan: al stop je de hele bijbel erin er komt nooit een vrouwelijke ambtsdrager uit. Nu moet ik een bekentenis afleggen. Het is deze, dat ik van slechts weinig zaken een klein beetje begrijp. Maar er is één gebied, dat mij volstrekt onbekend is, afgedacht van de naam. Dat is het terrein van de moderne computers. Slechts zo veel meen ik nu echter wel te weten, dat er uit welke computer ook nooit één ambtsdrager komt. Het lijkt me toe dat er nooit iets uitkomt dat er niet te voren ingestopt is. Hoe ik een vrouwelijke ambtsdrager in een computer zou moeten krijgen onttrekt zich aan mijn meest stoute verbeelding, laat staan hoe ze er uit zou komen!
Maar al heb ik van computers geen verstand ik begrijp wat onze beeldrijke zuster bedoelt, zonder beelden zegt zij natuurlijk: er staan een paar teksten in de bijbel, die duidelijk zijn, en helder. Zij bevatten zo veel duidelijkheid, en ze zijn zo helder, dat er zelfs geen afgeleide conclusie vereist is, die daarna een zelfstandig leven zou kunnen gaan leiden. Men kan het betreuren, dat er zulk een duidelijke tekst in de bijbel staat. En dan zijn er enkele mogelijkheden, om haar weg te doen. Men kan zeggen: het is een interpolatie (een latere toevoeging van elders), b.v. in 1 Cor. 14:34-36; of men kan zeggen: het is een „kerkordelijke bepaling" op de rand van het nieuwe testament (1 Tim. 2:11, 12). Wij zijn niet gewend een zaak zó op te lossen. Daarom spreekt ons dit in het geheel niet aan. Welnu, dan is er nog een mogelijkheid om te zeggen: o, maar dit zegt ene Paulus, een man die niet zulke hoge gedachten had van de vrouw - hetgeen hem niet al te zeer euvel geduid mag worden, aangezien hij een kind van zijn tijd was. Wat Paulus zegt regardeert ons niet: weg tekst, weg Paulus! Deze trant van spreken vinden we niet elegant, ze maakt ons onzeker. Want waarom zou Paulus nu net op dit éne punt een kind van zijn tijd, een rabbijnenleerling zijn, en niet op andere punten? Daarom zeggen we: Paulus wist wat hij schreef. En hij was niet een andere Paulus dan die uitbundig vrouwen met naam en toenaam om hun dienst aan het evangelie prijst en aanbeveelt. En dan tóch dit zegt. Duidelijk - wetend hoe het in de gemeente Gods behoort!
Die teksten stoppen we niet in de computer. Maar ze blijven staan in de bijbel. En ik kan er niet omheen. En eeuwen, eeuwen lang heeft de kerk er niet om heen gekund en er niet om heen gewild. Heeft zij nu eeuwen lang de vrouw achtergesteld? Heeft zij de vrouw daarom verdrukt? Van vele, vele eeuwen weet ik weinig, en dan alleen nog uit boeken, die de geleerden lezen met het licht van onze tijd. Van enkele tientallen jaren slechts weet ik iets uit eigen ervaring. Ik kijk er mijn moeder, mijn grootmoeders op aan: werden zij achtergesteld? Of hun moeders en grootmoeders? Men zou terug kunnen gaan tot op die moeder en grootmoeder, die we bij de naam kennen, Loïs en Eunice, in wie een ongeveinsd geloof woonde (2 Tim. 1:5). Paulus noemde hen, om het geloof, dat nu ook in Timotheus woonde. En zij moeten Paulus wel begrepen hebben, ook in de duidelijke tekst in zijn brief. Men zou willen weten of zij zich in een keurslijf gevoeld hebben.

Over kerkleiders, kerkleden en keurslijven
We zouden nu de zaak van een andere kant kunnen benaderen en de vraag aan de orde kunnen stellen, hoe het komt dat het aan een computertijdperk voorbehouden bleef, om tot een zodanig nieuw verstaan van de bijbel te komen, dat men de eeuwen achter zich heeft gelaten. Er is reden, om na te denken over de vraag, niet: hoe tijdgebonden Paulus was in zijn verstaan van de waarheid Gods, maar ever de kwestie hoe tijdgebonden wij zijn in ons verstaan van de bijbel. Het is ten zeerste de vraag of niet de totale omslag in de cultuur, in het leefgevoel, de radicale verandering, die zich voltrekt in het denken, in het ervaren, in het leven van de mensen een zeer belangrijke factor vormt in een veranderende visie op de betekenis van de Schrift.
Men mag niet ontkennen, dat het Schriftonderzoek vorderingen heeft gemaakt. Inderdaad valt op menige tekst een nieuw, en soms een verrassend licht. Maar in verhouding tot de eeuwige afmetingen van Gods openbaring, die in hun breedte en hoogte en diepte niet te peilen zijn, is elke nieuwe ontdekking van te verwaarlozen afmetingen. Wie kennis neemt van wat nieuwer licht ons toebrengt verbaast zich in vele gevallen over de oudheid van een dwaling, over de nieuwheid van het kleed, waarin hij geshowd wordt en over het feit dat zulk een „nieuwheid" wordt aangehangen door hen, die men dit allerminst zou toedichten. De gereformeerde wereld is „om". En zij is „om"-gegaan: eerst op het punt van de leer der genade. Vervolgens op het punt van het leven uit de genade. En ten slotte, afsluitend, op het punt van de Schrift en haar gezag. Merkwaardig, deze volgorde! Maar ook hoe opvallend: die Schrift en haar gezag vormde het sluitstuk. En opvallend - ik zeg het waarlijk niet uit lust tot overtroeven! - opvallend is het, dat in de Gereformeerde Kerken door tot oordelen bevoegde mensen, die aan het proces zelf leiding gaven is gezegd: De Schrift zegt, dat de vrouw in het ambt niet kan! Wij hebben het tóch gedaan. (En zei prof. Kuitert er bij: terecht!) En tóen is die wissel omgegaan. Volgens Paulus, volgens de bijbel mag het niet. Toch doen we het! We moeten nog veel méér doen. Want de bijbel benaderen we anders dan vroeger. Zó is dat gegaan in de Gereformeerde Kerken. En dit is het vraagstuk van vandaag, over de hele linie: wat zegt de Schrift. Die dijk moet dicht blijven.
Een dijk kan een belemmering zijn. In de meeste gevallen is het een zegen dat dijken er zijn, zelfs een „slaperdijk" bewijst wel eens goede diensten. Laat die dijk dicht.
Ben ik nu een kerkleider die een deur dichttimmert?
Meten wij de kerkleden keurslijven aan? Behoren we nu tot de mensen met de brede gebedsriemen, die van de eerste plaats houden aan de maaltijden? Beminnen wij het nu, om door de mensen Rabbi genoemd te worden? Staat er niet in onze bijbel: Eén is uw Meester, En gij zijt allen broeders (Matt. 23:8-12) „Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus". Ik hield niet van die taal over computers, waar je wat in stopt. Maar ik wil een ieder verzoeken mij aan dit woord te herinneren, gelijk ik een ieder aan dit woord wil meten: is Christus mijn, is Hij uw Leidsman? Dan is er vrijheid, waarin wij mogen staan, vrijheid waarin wij mogen en willen spreken: allen broeders. Wat dat voor dit alles betekent willen we in een laatste artikel nog in het kort onder ogen zien.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1983

De Wekker | 12 Pagina's

Het ambt in discussie (XIV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1983

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken