Bekijk het origineel

Kerk zijn in een woelige wereld

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerk zijn in een woelige wereld

12 minuten leestijd

In een woelige fase van de wereldgeschiedenis hebben we het laatste blad van de kalender van 1986 afgescheurd. En we constateren op 9 januari, met een eerste werkweek achter de rug, dat een beetje waar is wat iemand eens opmerkte: „de toekomst is eigenlijk niet anders dan het verleden door een andere deur weer binnengaan." Men zou dit gezegde een variant op de vele wijze uitspraken uit het boek der Spreuken kunnen noemen. Wat geweest is zal er zijn...
Met zorg kijken we naar de internationale politieke verhoudingen. De verkoeling tussen de grootmachten duurt voort en zal waarschijnlijk voortduren tot de Verenigde Staten een nieuwe president hebben. Op dit moment is nog niet helemaal te overzien hoever de gevolgen van het Iranschandaal zullen strekken, maar vast staat wel dat de huidige regering, als het op invloed en gezag aankomt, vanuit een uiterst zwakke positie verder zal moeten en dat de president steeds losser op zijn sokkel komt te staan. In het kader van de internationale verhoudingen moet men de ernst van deze situatie niet onderschatten.
Intussen gaat de bewapeningswedloop door, waarbij de tekentafels al ver gevorderde ontwerpen voor geavanceerde wapensystemen in de ruimte te zien geven. Een wereld waarin de internationale wapenproductie en -verkoop een bijna overheersend element in de wereldeconomie is geworden, waarin het leven van 40.000 kinderen die nu per dag sterven, van de hongerdood zou kunnen worden gered wanneer slechts 1% van deze productie aan voedsel zou worden besteed, biedt nauwelijks grond voor optimistische toekomstverwachtingen. De Europese eenheid staat onder zware druk en dreigt stuk te gaan aan nationalistisch getinte verlangens. Een navrante bijkomstigheid bij dit alles is dat de EEG-landbouwministers dagen en nachten achtereen met elkaar hebben zitten „koekhakken" rond de vraag hoe de immens grote zuivelvoorraden in de EEG-landen moeten worden ingeperkt. . .
De nu al jaren durende oorlog tussen Irak en Iran, waarin tienduizenden scholieren als slachtvee aan godsdienstig fanatisme worden opgeofferd, lijkt nog niet op een eind te lopen. Ondertussen kunnen wij er zeker van zijn dat de grote beslissingen, die bepalend zijn voor de toekomst van onze wereld, in het midden-oosten zullen vallen. Dat gebied, met Israël als middelpunt, is het scharnier waarop de wereldpolitiek draait.
Hoezeer benauwt ons ook de toenemende neiging van individuen en groepen in de samenleving om verlangens en grieven, al of niet gerechtvaardigd, met steeds grovere vormen van geweld kenbaar te maken. En midden in deze turbulente wereld staat dan de kerk van Jezus Christus, met in handen een Evangelie, dat in beginsel alle indicaties voor oplossing van de grote wereldvraagstukken in zich bergt, maar waarnaar helaas maar al te weinig wordt geluisterd. In het rumoer der volken doet de kerk af en toe pogingen haar stem te laten horen en profetisch getuigenis te geven, maar het heeft er niet de schijn van dat dit spreken op de loop der dingen in de wereld veel invloed ten gunste heeft. Waaruit bestaat trouwens dat spreken van de kerk en wie kunnen als de ware kerk van Christus worden aangemerkt? Is veel spreken van de kerk niet de resultante van een politiek activisme bij een kleine groep kerkelijke voortrekkers, al of niet geïnspireerd door kerkelijk getinte pressie-groepen en is er niet veel te weinig sprake van een heilige drang tot profeteren aan de basis van Christus' gemeente? En wordt veel kerkelijk spreken naar de wereld toe niet sterk geremd en verlamd door het feit, dat zich binnen de kerk dezelfde zondige structuren van grove en geraffineerde machtsontplooiing manifesteren als in de wereld? Bij tijd en wijle bekruipt ons dit gevoel al zeer sterk ten aanzien van de veelvuldige pauselijke missies die onze tijd te zien geeft, missies die afhankelijk van de politieke situatie in het bezochte land, vaak een ambivalent (tweeslachtig) karakter hebben. Maar ook het getuigenis van het reformatorische christendom klinkt niet zo overtuigend, innerlijk verdeeld als het is. De eenzijdige manieren waarop men het Woord van God soms hanteert om er eigen denkbeelden mee te onderbouwen, leidt tot een heilloze polarisatie, die aan alle spreken van de kerk overtuigingskracht ontneemt en de wereld de indruk geeft dat de kerk het ook niet weet en geen weg kan wijzen om uit de vicieuze cirkel van dreiging weg te komen en een voor ons en onze kinderen leefbare wereld te behouden.
Kunnen de innerlijke onzekerheid, de diversiteit in ziens- en benaderingswijzen, de negatie van elkaars gevoelens en vooral ook het gevoel dat we met deze wereld en alles wat er beweegt en leeft op ons zelf teruggeworpen zijn, ook iets te maken hebben met het feit dat althans in onze cultuur de God van de bijbel steeds meer uit ons gezicht verdwijnt? Zou het ook kunnen zijn dat aan ons, die kinderen zijn van een tijd waarin de theologie van de zekerheid met betrekking tot de grondvragen van het christelijk geloof plaats gemaakt heeft voor de vragende theologie, het gevoel knaagt dat we over de ontwikkelingen in en de toekomst van deze wereld alleen nog maar vanuit de mens en niet meer zo sterk vanuit God kunnen denken?
Wij bevinden ons in die fase van de wereldgeschiedenis, waarin als uitkomst van alle historische denkprocessen over God het onveranderlijke grondpatroon van het christelijk geloof, te weten het geloof in de presentie van een persoonlijk God, op indringende wijze ter discussie wordt gesteld. En dat grijpt in alle sferen van ons bestaan diep in. Geloofsdiscussies binnen de kerk worden er door vertroebeld en het bidden van de kerk wordt er door geremd. En dat terwijl het Woord van God, bijvoorbeeld in Jesaja 40, er toch geen misverstand over laat bestaan dat, bij alle transformatie die de bijbelse boodschap onder invloed van allerlei menselijke denkbeelden en denkwijzen heeft ondergaan, God de onveranderlijke blijft.
„Hij troont boven het rond der aarde en haar bewoners zijn als sprinkhanen. Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging. Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid. Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn?"
Wanneer de Heilige Schrift God in zulke massieve woorden present stelt, ook in deze turbulente en beangstigende tijd; wanneer wij zeker mogen geloven dat wij op deze kleine stip in een mateloos groot universum niet buiten Zijn Goddelijke waarneming zijn, hoezeer zou ons als kerk van Christus die zekerheid dan moeten aansporen om in de weg van verootmoediging, eenstemmig en met aandrang, voorbede voor deze wereld te doen. Het lot van deze wereld is ten diepste niet afhankelijk van spitse diplomatie, van evenwicht in de militaire competitie, van politieke strategieën en gewiekste onderhandelingstactieken, maar van Hem, die naar wij geloven en belijden, deze wereld zo heeft liefgehad dat Hij er Jezus Christus voor over had om haar te behouden.
Deze wereld, die in beginsel toch een verloste wereld is, mag door de kerk die draagster van de boodschap der verlossing behoort te zijn, in Gods Vaderlijke aandacht worden aanbevolen. En waar de bijbel op menige plaats aangeeft dat God het zuchten van Zijn volk in deze creatuur hoort en aan ootmoedige voorbede van Zijn volk niet voorbijgaat, moeten we elkaar aanmoedigen om in de plaatselijke gemeente krachtig voorbede te doen voor overheden; God te vragen om de regeerders en machthebbers diplomatieke behoedzaamheid, militaire voorzichtigheid, flexibiliteit, evenwichtige beoordeling van cruciale situaties en bijbelse wijsheid te geven en zo door Zijn genadige medewerking onze wereld door dit woelige tij naar rustiger vaarwater te loodsen, opdat er voor ons en zeker voor onze kinderen onder Zijn zegen nog deel van leven mag zijn. Tot de dag waarop God alle dingen nieuw zal maken.

Ook zorg om de kerk
Ook het kerkelijk leven in West-Europa en in ons eigen land is de crisis van de voorbije jaren nog niet te boven, een crisis die in elke kerkgemeenschap zo haar eigen kenmerken heeft. Maar bij meerdere factoren die als oorzaken kunnen worden aangewezen gaat zij ten diepste terug, ook in onze kerken, op een ernstige verstoring van onze individuele en gemeenschappelijke Godsbeleving. En die verstoring hangt nauw samen met de crisis die onze Westerse samenleving doormaakt, een samenleving waarin iedereen tegen iedereen opbotst en waarin iedereen tegen iedereen aanschreeuwt.
Er zijn treffende overeenkomsten aanwijsbaar tussen de culturele crisis waarin onze Westerse samenleving zich bevindt en de crisis die zich in de christelijke kerken manifesteert. De roep om mentale, sociale en economische vernieuwing in de samenleving heeft ten diepste dezelfde trekken als de schreeuw om geestelijke vernieuwing in de kerken. Wie de ontwikkelingsgang van de Westerse wereld, waarin wij kerk zijn, natrekt doet ontstellende ontdekkingen. Wij hebben niets meer van de primitieve mens in een statische samenleving, waarin veel het geheim van God bleef. Wij zijn het product, ook in ons kerkelijk en geestelijk leven, van de veranderde denkhouding van de mens. Wij hebben geleerd en aangewend de werkelijkheid die zich aan ons voordoet uit te pluizen en onze waarnemingen te objectiveren. Dat is uitgangspunt van ons denken geworden. Wij zijn meesters geworden in het ordenen van kennis en in het beschouwend denken. Leverde de ontwikkeling van de wetenschap ons eerst uitsluitend wijsgerige kennis op, later is die kennis ons tot middel voor ons handelen geworden. Van de primitieve mens, via de oude Grieken, het middeleeuwse feodalisme en het industriële tijdperk zijn we beland in de verwetenschappelijkte samenleving, een zegen enerzijds, een vloek anderzijds. De vloek van de denkhouding van de Westerse mens is haar eenzijdigheid in het zoeken naar de wetmatigheid van de dingen, met verwaarlozing van de zin der dingen. Het Westerse denken richt zich op begrip van het begrijpelijke, met verwaarlozing van het onbegrijpelijke, terwijl in ons denken meer harmonie behoorde te zijn tussen begrip van het begrijpelijke en gevoel voor dat wat onbegrijpelijk is. Deze ontwikkeling, de verwetenschappelijking van de samenleving, heeft geleid tot een cultuur waarin alleen het meetbare telt en waaruit het gewijde bezig is te verdwijnen. Zij heeft een dóór en dóór materialistische cultuur opgeleverd, die nu op pijnlijke wijze in verval is, met alle politieke, sociale, economische, ethische en religieuze complicaties van dien. Verwetenschappelijking van de samenleving doet mensen van elkaar vervreemden en emancipeert de mens van God.
Aan het proces van eenzijdige verwetenschappelijking is ook de kerk niet ontkomen. De hooggestegen kennis met betrekking tot de oorsprongen van het christelijk geloof, de verkregen inzichten in ontstaan, inhoud en bedoeling van de bijbel en de intellectuele openlegging van de bijbelse geheimen, die eeuwenlang meer of minder verborgen bleven, kunnen niet genoeg als een grote zegen worden aangemerkt. Maar wanneer kennis doel in zich zelf wordt en losraakt van de bijbelse wijsheid, die ons in ons denken, spreken en schrijven over God onze beperkingen en verstandelijke ontoereikendheid te binnen brengt, dan lopen wij met al onze vergaarde kennis vast. Dan mogen we intellectueel veel weten, maar dan kan er een kloof ontstaan tussen verstandelijk weten en innerlijke beleving, eenvoudig omdat verabsoluteerde kennis de kanalen waarlangs de Heilige Geest in ons wil werken verstopt. Aan die ellende lijdt het kerkelijk leven vandaag. De vergaarde kennis op het terrein van het geloof heeft over de brede linie van het kerkelijk leven in onze Westerse samenleving generaal gesproken niet het rendement van een diepere beleving van de relatie met God opgeleverd, maar veeleer geestelijke denksystemen, behoudzuchtig of modernistisch getint, die verabsoluteerd zijn en die de eenvoudige wijsheid van het leven met God in de weg zijn gaan staan. Wanneer vergaarde kennis in de gemeente van Christus een eigen leven gaat leiden en zich niet combineert met de praktische wijsheid die de Heilige Geest ons leert dan ontstaat er geestelijke verschraling, verkilling, verarming en onderlinge verwijdering en dan komt de onderlinge beoefening van de geloofsverbondenheid onder de spanning te staan van de kritische toetsing van elkaars kennis en inzichten, op puur beschouwelijke wijze, zonder het noodzakelijke besef, dat toch tot de wijsheid van al Gods ware kinderen behoort, namelijk dat wij hier op aarde nooit het laatste licht uit de hemel zullen ontvangen.
Wanneer de hoog ontwikkelde systematische wetenschapsbeoefening op het terrein van het geloof in het westen zich niet mengt met de milde Oosterse wijsheid waarvan het hele Woord van God is doortrokken en waarin zoveel ruimte wordt gelaten voor het besef, dat de Heere ons bij veel zekerheden toch ook nog veel te raden heeft overgelaten, dan kan het niet anders of men komt in de kerk voortdurend met elkaar in aanvaring.
Wij zijn nog altijd dankbaar voor de gereformeerde geloofsleer die onze vaderen voor zich en voor ons hebben bedacht en die ook voor deze tijd nog voluit geldigheid heeft. Maar zijn wij ook in onze kerken met de belangrijkste noties van die geloofsleer, individueel en in groepsverband, niet te veel op eigen wijze aan de gang gegaan en hebben wij aan de geloofsgeheimen die er in vervat zijn, vanuit een aangekweekte of opgelegde denkhouding, niet te veel een eigen invulling gegeven, zonder die denkhouding door de Heilige Geest te laten bijstellen? Anders gezegd: zijn wij in de kerken in ons denken niet zodanig versteend, dat de diepste waarheden van het geloof geen kans meer krijgen om m ons leven door de werking van de Heilige Geest werkelijk tot gelding te komen?
Laat ons hopen, bidden en er samen aan werken dat 1987 een jaar mag zijn waarin onder Gods zegen, allereerst in de plaatselijke gemeenten, maar ook in de andere verbanden van het kerkelijk leven, de door hoogmoed, zelfgenoegzaamheid, eigenzinnigheid en puur intellectualistisch denken gegroeide denkbeelden worden doorbroken en dat we samen in kinderlijke onbevangenheid, die de Here Jezus voorwaarde noemde voor het binnengaan in Gods Koninkrijk, de werkelijkheden van zonde en genade, schuld en vergeving, rechtvaardiging en heiliging opnieuw mogen leren spellen en samen mogen leren er verrukt over te zijn dat God ons deze geheimen heeft willen toevertrouwen.
Wat onze eigen kerken betreft lijkt 1987, het jaar na de generale synode, een uitdaging te zijn om aan deze onderlinge bezinning gestalte te geven. De komende voorjaarsconferentie voor ambtsdragers wil daartoe mede een aanzet zijn. Nadere mededelingen hierover volgen nog.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1987

De Wekker | 12 Pagina's

Kerk zijn in een woelige wereld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1987

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken