Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De verzegeling met de Heilige Geest (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De verzegeling met de Heilige Geest (IV)

9 minuten leestijd

In Hem verzegeld
Wanneer wij spreken over de verzegeling met de Heilige Geest, mogen we niet één ogenblik vergeten, dat deze weldaad nimmer is los te denken van het „in Christus". Zoals we zagen, komt de uitdrukking „in Hem", „in Christus", „in de Geliefde" herhaaldelijk voor in de eerste 14 verzen van Ef. 1. We moeten goed tot ons laten doordringen wat dit voor ons onderwerp inhoudt. Het betekent, dat we over de verzegeling niet kunnen spreken los van Christus, buiten Hem. Er is slechts sprake van de verzegeling met de Heilige Geest „in Christus".
Precies hetzelfde hebben wij moeten zeggen van de verkiezing. Ook daarvan geldt, dat wij haar niet kunnen denken zonder Christus. Al te dikwijls heeft men dit getracht. Maar men ging dan voorbij aan wat de schrijver zegt over onze verkiezing „in Christus". Dit betekent minstens, dat wij nimmer over Gods diepste genadewonder kunnen spreken, wanneer we dat niet doen in gemeenschap met Christus.
Op dezelfde wijze brengt de apostel de verlossing ter sprake. Wij hebben de verlossing door zijn bloed „in Hem". Wie ooit ook maar één woord over de verlossing zou willen spreken zonder Christus, zou altijd verkeerd uitkomen. „In Hem" hebben wij de verlossing door zijn bloed (vs. 7). Alleen in de gemeenschap met Christus kunnen we iets zeggen over onze verlossing. Zij berust op het werk van Christus. En wij delen er in door de gemeenschap met Christus.
Welnu, op gelijke wijze dienen wij te spreken over de verzegeling met de Heilige Geest. Zij vormt niet een zelfstandig onderdeel van het werk van de Geest, maar zij is, zoals we eerder hebben trachten aan te wijzen, een aanduiding van de volheid van het werk der verlossing, zoals dit opkomt uit de eeuwige liefde van de Vader, zoals dit vastligt in de verzoenende liefde van de Zoon en zoals dit hier en nu verwerkelijkt wordt door de heiligende liefde van de Geest.
Maar - en dit moet nu duidelijk zijn -, wij kunnen over niet een van deze drie heerlijke weldaden spreken buiten Christus. Wij hebben alles in Hem, en alleen door Hem.
Dat betekent twee dingen. Ons spreken over het heil van de Here moet altijd trinitarisch zijn. Verkiezing, verzoening en verzegeling moeten tot hun recht komen. Het werk van de Vader en dat van de Zoon en dat van de Heilige Geest dient verheerlijkt te worden. Men kan niet over één van deze aspecten los, of op zichzelf spreken. Dan verschraalt het heil. Het verliest aan rijkdom. Het mist de diepte, de grond, de zekerheid. Trinitarisch, d.w.z. altijd vanuit de belijdenis van de drieënige God, dienen we te spreken over de genade.
Maar - en dat is het tweede -, dit spreken, hoe trinitarisch ook, wordt gedragen door het besef, dat wij slechts in Christus het heil hebben. Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien. Hij is het die zalft met de Heilige Geest. Zekerheid, zaligheid en heiligheid is er alleen in en door Christus. Hij kent de Vader en niemand kent de Vader dan die, wie het de Zoon wil openbaren.
Passen we dit nu in het bijzonder toe op de verzegeling met de Heilige Geest, zoals de tekst daartoe alle aanleiding geeft (vs. 13 en 14), dan kan ons dit voor een zwaarwegend misverstand behoeden. Sommigen menen namelijk, dat de verzegeling met de Geest het meest eigenlijke gebeuren is in het heil. Dan eerst wordt de zaligheid ervaren. Wat in de stille eeuwigheid plaats vond in Gods verkiezing is oneindig ver bij ons vandaan. Wat eenmaal aan het kruis geschiedde, ligt ook reeds eeuwen achter ons. Maar wat de werkingen van de Geest aangaat: deze ervaart men in eigen leven. Nu komt het alles binnen onze eigen ervaring. Wanneer men daarbij dan ook nog eens een bijzonder accent aanbrengt, en het Geesteswerk tot het eigenlijke werk van zaligmakende aard verklaart, dan heeft men zich eerst goed verwijderd van wat de Schrift ons in Ef. 1:13,14 leert.

Christus en de Geest
De apostel onderstreept in onze tekst, dat de verzegeling met de Geest „in Christus" plaats vindt. Zó dienen we immers te lezen: In Hem zijt gij ook..., in Hem zijt gij . . . verzegeld met de Heilige Geest der belofte. De apostel neemt het „in Hem" opnieuw op, nadat hij het eerst reeds had gezegd.
In Hem zijn we verkoren.
In Hem zijn we verlost.
In Hem zijn we verzegeld.
Wat bedoelt de apostel met deze opvallend sterke nadruk op het „in Christus" met betrekking tot de verzegeling met de Geest? Let wel: er staat niet, dat wij verzegeld worden dóór de Heilige Geest! We lezen van een verzegeling mèt de Geest der belofte. We zeggen er nu drie dingen van.
In de eerste plaats: De Geest, waarmee de gelovigen verzegeld worden is de Geest van Christus. Hij is door Christus verworven. Hij is er ook alleen door Christus. We vinden in de Schrift weliswaar ook een andere lijn. Christus is er door de Geest. Hij is ontvangen van de Heilige Geest. Hij heeft zichzelf door de onstraffelijke Geest geofferd. Hij is ook opgestaan door de kracht van de levendmakende Geest. Kortom, wat Christus is, is Hij mede doordat Hij de Geest niet met mate heeft. De Geest heeft Hem in de wereld gebracht. Hem bekrachtigd in de diepte van het lijden en Hem teruggebracht uit de dood in het verheerlijkte leven. Die lijn is er ook. En wij mogen haar niet vergeten.
Maar wat in onze tekst, en ook op tal van andere plaatsen geleerd wordt, is dat de Geest een geschenk is van Christus: door Hem verworven aan het kruis van Golgotha. Wij missen God. Wij hebben niet eerder waarachtig leven in ons, voordat wij God tot ons deel hebben. Nu heeft Christus deze levendmakende Geest verworven voor schuldige zondaren.
In de tweede plaats: Christus geeft ook deel aan de Geest. Dat is Pinksterfeest. „Dit is het, wat gij hoort en ziet". God heeft Christus uitermate verhoogd. En deze verhoging houdt ook in, dat Hij beschikt over de Geest. Hij doopt met de Heilige Geest. Wat Hij verworven heeft eigent Hij toe door de kracht van de Geest. Daarom is het ook verkeerd gedacht, wanneer we zeggen, dat Christus de zaligheid verwierf en dat de Geest haar toepast. Dat zou kunnen inhouden, dat er aan de volkomenheid van het volbrachte werk afbreuk wordt gedaan. De toepassing van het heil betekent geen aanvulling op de verwerving. Men mag het werk van de Geest ook niet in mindering brengen op het werk van Christus. Neen, het is Christus zélf, die de zaligheid uitdeelt. Nu Hij aan de rechterhand van God verhoogd is, zal Hij ze allen tot zich trekken. Wanneer we deze dingen goed in het oog houden, worden we ervoor bewaard, om het werk van Christus in het verre verleden te plaatsen. Het werk van de Geest is dan het enige actuele. We zouden onrecht doen aan de verhoging van Christus. Hij is Koning en „in Hem" worden wij verzegeld met de Geest, d.w.z. Hij betoont in zijn Koningschap de kracht van zijn priesterlijke werk.
In de derde plaats: waarachtig geestelijk leven, leven uit de Geest, is niets anders dan leven „in Christus" en uit Hem. Nog sterker: het is niets anders dan: ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Buiten Christus is er van verzegeling dan ook geen sprake. In Hem alleen: dat betekent, dat wij Hem hebben te zoeken, zodat wij niemand anders zien dan Jezus alleen. In Hem wensen wij gevonden te worden, niet hebbende onze gerechtigheid, maar de zijne alleen. Christus alleen: dat leren wij mede door de verzegeling met de Geest. De geschiedenis, die het begrip „verzegeling met de Geest" heeft doorlopen toont duidelijk aan, dat men deze relatie met Christus lang niet altijd helder voor ogen heeft gehad. Vanzelf mogen we er niet blind voor zijn, dat de Schrift, zoals we boven opmerkten, de zaak ook omkeert. De Geest verheerlijkt Christus. Wij worden door de Geest geleid tot de gemeenschap met Christus. Maar in het verband van onze tekst moeten we zeggen, dat we de Geest ontvangen, als zegel van de toekomende erfenis, door Christus. En eveneens, dat er geen enkele geestelijke zegen in ons hart vloeit, dan alleen uit Christus. Zoals dit de waarheid is „in Christus".

Vier korte conclusies
We herinneren ons de viervoudige betekenis van het „in Christus" uit eerdere bijdragen over Ef. 1, nl. een lokale betekenis, een juridische, een ethische en een gemeentelijke zijde van het begrip. Passen we dit toe op de verzegeling met de Heilige Geest „in Christus", dan kunnen we het als volgt in 't kort samenvatten. 1. Er is geen verzegeling, dan alleen in gemeenschap met Christus. Dat betekent ook, dat er geen enkele zekerheid zal zijn, dan alleen in de verbondenheid aan Hem, de eenheid met Hem, het leven door Hem. 2. Er is geen enkel eigendomsrecht, dat ons hart boven de twijfel uitheft, dan alleen door de Geest die ons het „in Christus" doet verstaan. We kunnen nimmer vaste grond onder de voet krijgen, ik bedoel die van het recht van God, wanneer wij deze zoeken buiten Christus. 3. Dit alles is niet een zaak van zuivere beschouwing, maar van leven. We noemen dit de ethische kant van de zaak, niet om daarmee aan te geven, dat het op onze daden aankomt, maar omdat het gaat om een leven uit Christus. Er bestaat immers geen werkelijk christelijke ethiek, die niet in de gemeenschap met Christus haar bron vindt: Zonder Mij kunt gij niets doen. Dat is geen woord omtrent onze activiteiten, maar een aanwijzing van onze diepste levensgrond. 4. Er is geen bewustzijn van kindschap, geen troost in leven en sterven, dan alleen in gemeenschap met Hem, die het Hoofd van zijn lichaam is, dat is de gemeente. Verzegeling met de Heilige Geest is een allerindividueelst gebeuren. De Geest van Christus herstelt de persoon naar de bedoeling van haar Schepper: daarin is ieder uniek. Maar Hij doet dit in gemeenschap met Christus, die in de gemeente werkt en woont. Derhalve is er geen verzegeling mogelijk, dan in de gemeente, de kerk. Daarmee is het kerkelijk vraagstuk een geestelijk vraagstuk geworden, een kwestie van onze wezenlijke verbondenheid met Christus door de Geest en door Christus met de Geest. Het is een ethisch vraagstuk, rakende onze diepste levensgrond. Het is een vraagteken achter onze mystieke beleving van de gemeenschap met Christus. Ik weet dat dit alles vér buiten de geloofshorizon van onze individualistische wereld valt. Maar mag men er daarom over zwijgen? Indien wij „in Christus" verzegeld worden met de Geest, zouden wij dan niet het waaien van de Geest opmerken, waar we het ook maar horen, in de gemeente?

W. van 't S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

De Wekker | 12 Pagina's

De verzegeling met de Heilige Geest (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken