Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Overheid en samenlevingsvormen (Samenwoningsproblematiek II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Overheid en samenlevingsvormen (Samenwoningsproblematiek II)

6 minuten leestijd

Ten vervolge op het artikel van ds. Boersma over het ongehuwd samenwonen wil ik de samenwoningsproblematiek gaarne eens van de zijde van de Overheid benaderen. En ik doe dat naar aanleiding van het rapport van een door de minister van Justitie ingestelde commissie onder voorzitterschap van de Nijmeegse hoogleraar Kortmann. Het rapport is eind december 1991 uitgebracht en op het moment dat dit artikel in alle ernst (ondanks de datum 1 april) wordt geschreven, is nog niet bekend, welk standpunt het kabinet over de voorstellen van de commissie-Kortmann gaat innemen. Het rapport handelt over samenlevingsvormen en noemt die „leefvormen". Hoewel ik daaronder de wijze van leven (al dan niet sober) pleeg te verstaan, neem ik het minder letters vergende begrip in het hiernavolgende maar over.
De primaire leefvorm, die van het huwelijk, dient volgens de commissie ongewijzigd gehandhaafd te blijven. Ook aan de daaraan verbonden rechtsgevolgen (pensioenrechten, erfrecht, fiscaal recht, adoptiemogelijkheden) mag niet worden getornd.
Maar hoe nu met de steeds meer gangbaar wordende alternatieve leefvormen? In dat opzicht is het in ons land een chaotische toestand geworden, hetgeen b.v. op het gebied van de sociale bijstandsverlening leidt tot de zgn. tandenborstelcontrole, waarbij wordt nagegaan of er achter een voordeur al dan niet sprake is van samenwonen (zgn. voordeurdelers).
Die andere leefvormen wenst de commissie- Kortmann door middel van een registratie gelegaliseerd te zien met daaraan verbonden het scheppen van financiële voordelen (b.v. op het terrein van de AOW, de huursubsidie, de werkloosheidsuitkering) boven het ongeregistreerde (en nauwelijks controleerbare) samenwonen. De commissie wenst ordening van de thans bestaande chaos en wil daarbij onderscheid maken tussen de zware en de lichte registratievorm.
De zware registratievorm houdt in, dat men bij de burgerlijke stand publiekelijk tot uitdrukking brengt, dat men een duurzame verantwoordelijkheid voor elkaar wil nemen. De rechtsgevolgen daarvan worden dan gelijk aan die van een huwelijk met dien verstande, dat adoptie en de regeling van de geslachtsnaam voorbehouden blijft aan het huwelijk.
Deze zware registratievorm biedt de samenwonenden dus dezelfde erfrechtelijke en fiscale voordelen als de gehuwden. Zij is bestemd voor partners die om de een of andere reden niet willen huwen - b.v. bezwaar tegen die veelal kostbare, ceremoniële „vertoning" - dan wel niet kunnen huwen, b.v. broer en zus, ouder met een verzorgend kind, homo's en lesbiennes. Was er vroeger alleen maar de keus tussen huwen en niet huwen, nu zou de Overheid moeten terugtreden en het aan de partners moeten overlaten, of zij willen huwen dan wel slechts willen worden geregistreerd. Mits alle samenlevingsvormen maar in de overheidsdossiers komen vast te liggen.
Naast de zware registratievorm, die een juridisch alternatief voor het huwelijk wordt en dan ook vrijwel dezelfde rechten biedt, pleit de commissie-Kortmann ook nog voor een lichte registratievorm, d.w.z. een registratie niet bij de burgerlijke stand, maar bij de bevolkingsadministratie. Die kan slechts geschieden als de partners tegenover de ambtenaar van de bevolkingsadministratie een gemeenschappelijke verklaring afleggen dan wel een notariële akte overleggen, waarin de onderlinge financiële zorg voor elkaar kenbaar wordt gemaakt. Alle sociale verzekerings- en uitkeringswetten worden dan gekoppeld aan deze registratie, die voordelen oplevert boven het ongeregistreerd (en nauwelijks te controleren) samenwonen. Zowel de zware als de lichte registratievorm moet leiden tot een wederzijdse onderhoudsplicht van de partners, hetgeen nu slechts voor gehuwden geldt. Alleen bij de zware neemt men publiekelijk een duurzame verantwoordelijkheid voor elkaar.
Het huwelijk blijft dus het huwelijk. Van een homo-huwelijk als tegenwoordig veelvuldig bepleit, zal geen sprake zijn.
Homo's moeten volstaan met een zware registratievorm en kunnen dan geen kinderen adopteren, noch dezelfde geslachtsnaam voeren, wel elkander de erfenis nalaten zonder dat een dure notaris daar aan te pas behoeft te komen.
We zijn uiteraard zeer benieuwd, welk standpunt het kabinet over deze leefvormen gaat innemen en welke wetswijzigingen die ten gevolge zullen hebben.
De minister heeft al kenbaar gemaakt, dat hij voornemens is, het wettelijk voorschrift te schrappen, dat geen godsdienstige plechtigheden mogen plaats vinden voordat een huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken (art. 68 Boek 1 Burgerlijk Wetboek), en dat „de bedienaar van den godsdienst" die zulks toch doet, wordt gestraft met een geldboete van maximaal ƒ 600,- of, bij recidive binnen twee jaar, met een hechtenis van maximaal twee maanden (art. 449 Wetboek van Strafrecht). Het zal dan in de toekomst aan de kerk zelf worden overgelaten, of zij een huwelijk voor of na de sluiting wil inzegenen.

Hoe moet nu de kerk oordelen over zulk een nieuwe leefvormregeling?
Terecht wijzen wij het experimentele samenwonen, dus de zgn. lichte registratievorm, krachtig af. Daaraan ontbreekt immers de belofte van blijvende trouw en daaraan dient dan ook geen inzegening te worden verbonden. Maar wat moet de kerk doen met de zgn. zware registratievormen? Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen personen die niet met elkaar kunnen trouwen, en die niet met elkaar willen trouwen. Bij de registratie van de eerste groep, die dat uitsluitend zal doen terwille van de wettelijke gevolgen, past uiteraard geen kerkelijke plechtigheid. Daarbij valt niet alleen te denken aan homo's, maar ook b.v. aan een samenwonende broer en zus die om alleszins respectabele (b.v. erfrechtelijke) redenen een zware registratie wensen. Bij de registratie van de tweede groep ligt het anders. Daar gaat het om personen, die wel met elkaar zouden kunnen trouwen, maar dat om bepaalde, in feite noch de Overheid, noch de kerk regarderende redenen niet willen. Wel willen zij elkaar publiekelijk duurzame trouw beloven, zij het niet in de vorm van een huwelijksplechtigheid.
M.i. zal de kerk hiervoor haar eigen regels moeten stellen (zoals zij dat nu ook al doet in geval van een wettelijk huwelijk) en dan is het zeer wel denkbaar, dat degenen die een zware registratie hebben „ondergaan", hun door de Overheid gelegaliseerde leefvorm kerkelijk willen laten bevestigen. Zoals ik al eerder heb betoogd: als men zich aan de beloften, in een openbare kerkdienst afgelegd, niet houdt, staan de kerk veel zwaardere dan juridische middelen ter beschikking, nl. de uitsluiting uit de gemeente van Christus.
Toegegeven zij, dat wij tot nu toe het huwelijk beschouwen als de enige legale leefvorm. Maar als de Overheid zelf ook andere leefvormen gaat legaliseren, welke reden zou er dan voor de kerk moeten zijn, die uit te sluiten van een inzegening? Het primaat van het huwelijk gaat door de aanvaarding van de zgn. zware registratie verdwijnen. Men kan dat betreuren, maar men krijgt met deze werkelijkheid te maken. En men wekke niet de indruk, dat Overheid en huwelijk een onverbreekbare tweeëenheid vormen. Duizenden jaren lang heeft niet de Overheid, maar de kerkelijke gemeenschap zich bemoeid met de huwelijkssluiting en pas door de Franse revolutie is die bemoeienis door de Overheid overgenomen. Men mag niet beweren, dat het huwelijk naar protestantse overtuiging primair een zaak van de Overheid is.
Maar het laatste woord is nog niet gesproken. Er moet eerst nog een kabinetsvoorstel en dan een parlementaire behandeling plaats vinden. Dat aan de wettelijke chaos rond de bestaande, thans niet gelegaliseerde leefvormen - te denken valt aan het privaatrecht, het sociale recht en het belastingrecht - eens een einde wordt gemaakt, is op zichzelf een goede zaak. Allerlei slimme ontduikingen dienen te worden tegengegaan en verbodsbepalingen terzake hebben geen zin, omdat de Overheid niet kan (en mag) controleren welke leefvorm men er binnenshuis op na houdt. Alleen registratie met de daaraan verbonden voordelen kan dan helpen.
De kerk zal zich t.z.t. naar die nieuwe leefvormen moeten gaan richten, hetzij afwijzend (zoals bij de zware registratie van homo's en bij de lichte registratie) hetzij met eigen criteria (zoals bij het huwelijk en wellicht ook bij de zware registratie van hen die niet willen huwen). Maar vele kerkordes zullen alsdan wel moeten worden gewijzigd.

Verplanke

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1992

De Wekker | 8 Pagina's

Overheid en samenlevingsvormen (Samenwoningsproblematiek II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1992

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken