Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gedragen leven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gedragen leven

6 minuten leestijd

„Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken, zo heeft hem de HERE alleen geleid . . ." (Deut. 32:11)

Opgewekt
Het bekende beeld van de arend in de zorg voor zijn jongen mag dan door vogeldeskundigen niet bevestigd kunnen worden en misschien ook exegetisch „uit de lucht gegrepen" zijn (stelling 8 bij het proefschrift van dr. H.G.L. Peels), de gedachte blijft troostrijk en voluit Bijbels. Zeker ook voor een kerk, die deze dagen bewust achteromkijkt en vooruitziet. Wanneer Mozes vlakbij het beloofde land met het volk Israël terugblikt op 40 lange jaren in de woestijn, wordt zijn oog ineens omhoog getrokken door een adelaar, die met machtig uitgespreide vleugels zweeft op de wind boven de rotsen van Moab. Hij hoort zijn roep en heel in de verte het gepiep van jongen in het nest. En dan gaat hij daarvan zingen: Zó is nu de HERE geweest voor Zijn volk. Werden wij niet als op adelaarsvleugels gedragen?

Heel de weg van het volk ligt vast in de ontferming van de HERE. Vanaf het begin. Als een arend, die zijn broedsel opwekt. . . Aanvankelijk vliegt de adelaar met voedsel af en aan om de hongerige jongen in het nest te voeden. Maar op den duur gaat hij voor het nest heen en weer vliegen. En wekt met zijn roep de jongen op uit te vliegen. Soms pikt hij ze zelfs over de rand van het nest heen! Vol erbarmen heeft de HERE God Zijn volk weggeroepen uit het slavenhuis van Egypte. Om op weg te gaan naar Kanaän. En wat is de HERE onuitsprekelijk goed geweest! Hij heeft het volk geleid met wolk- en vuurkolom, omringde het met Zijn zorg door dagelijks brood uit de hemel te geven en water uit de rots.
De kerk heeft zichzelf niet in het leven geroepen. En een levend lid van de kerk zijn we evenmin van nature. De kerk is vanouds een schepping van het Woord. En een levend lid is „broedsel" van de Geest, die in het leven van zondaren de hartverscheurende én hartgenezende roep van God doet weerklinken.

Mochten we sinds 1892 niet de zegen van de HERE opmerken op de weg, waarop we ons als kerken vanouds geroepen weten? Weggeroepen van onder het juk van welk theologisch systeem dan ook, dat in de kerk de ernstige én genadige roep van de Here dreigt te overstemmen. God gaf zondag aan zondag in plaatselijke gemeenten het voedsel van Zijn Woord. Een vaak bloeiend gemeenteleven. En hoe velen zou de Geest in de loop der jaren niet hebben leren dorsten en drinken uit de geestelijke rots, Christus? Het kerkelijk leven mocht gestalte krijgen in opleiding, zendingswerk, betrokkenheid bij allerlei hulpverlening in binnen- en buitenland, enz. Wie dat alles onder ogen ziet en er de trouwe zorg van de Here in ontdekt, die wacht zich ervoor het eigen nest te bevuilen. Die dankt verwonderd en maakt de HERE groot.

Opgemerkt
Dat doet Mozes, wanneer hij zich te binnen brengt, hoe de HERE Zijn volk onderweg in het oog heeft gehouden. Zoals een arend over zijn jongen zweeft. Hij vliegt erboven en slaat hun vliegbewegingen bezorgd gade. En voortdurend zijn roep: Ik ben er en Ik ben. Die ik ben. Dat is troostvol maar het heeft ook een ernstige tegenkant. Het is nl. niet om het even, welke richting de jongen kiezen. Ik heb – zo zei de Here het bij de Sinaï zelf - u op adelaarsvleugels gedragen en u tot Mij gebracht. Daarom gaat het de Here altijd. Dat we bij Hem komen en bij Hem blijven.

En dan klinkt er in het lied van Mozes ook een geweldig stuk zorg door. In wat op de tekst volgt denkt Mozes zich als het ware de tijd in, dat het volk in Kanaän gesetteld zal zijn. Het volk zal, verwend en vet geworden, genoeg hebben aan zichzelf en de HERE vergeten. En dan waarschuwt Mozes, dat de HERE dat niet neemt en zal komen met Zijn gericht. De Here alléén heeft u geleid. Ere, wie ere toekomt! Is het nu niet wat negatief van Mozes om erop te speculeren, dat het zo zal gaan? Speculeren? Mozes had in de afgelopen 40 jaar keer op keer gezien, waarin de „dankbaarheid" van het volk voor Gods zegeningen bestond. Gaf de Here brood, dan eisten ze vlees. Zorgde de HERE voor water, dan zeurden ze om meloenen. Blijkbaar zijn mensen zo, vóór en ná ontvangen genade!

En dan past het ons als kerken onszelf te verootmoedigen. Wat hebben wij met de zegeningen van de Here gedaan? Zijn wij er kerk door geworden, zoals de HERE dat graag ziet? Of willen we zelf groot zijn? Is er geen kerkelijke zelfgenoegzaamheid te belijden? We hebben het zo goed, we weten het zo goed, wij zijn zo goed. Anderen - ook anderen bij wie we oprechte liefde tot Schrift en belijdenis herkennen - die anderen gedenken 1892 op een heel andere manier. De historische verklaringen kennen we wel maar is het niet schrijnend? En moeten we intern niet oppassen, dat we elkaar niet uit het nest pikken? Zeker, algemeen wordt erkend, dat we ons als kerken hebben te verootmoedigen, maar zijn we wel met elkaar eens, waarover?

Opgevangen
Wat moet de arend allemaal niet opmerken, wanneer hij over zijn uitgevlogen jongen zweeft? Hoeveel duikelingen en buitelingen en dwaalwegen verdragen? Hoeveel zondig gestunt en zwak gestuntel? Als het van de jongen afhing, zouden zij onherroepelijk neerstorten in het diepe, donkere ravijn. Maar de arend heeft het gezien. Pijlsnel laat hij zich naar beneden vallen en komt onder een duikelend jong. Spreidt zijn vleugels weer uit en vangt het zo van onderen op. Met een paar machtige halen van zijn vlerken neemt hij het dan weer mee naar boven en vliegt ermee vanuit het donker het licht tegemoet.

Toch niet gevallen. Toch niet verteerd. Al kon het verwacht worden en was het verdiend. Dit is genade. Het is allemaal te danken aan dat ene Arendje, dat bij die anderen in het nest werd gelegd om mee te maken, wat zij hadden verdiend. Uit het nest gestoten te worden en niet opgevangen. Gevallen en niet gedragen. Het kruis van de Here Jezus stond op een heuvel maar toen Hij eraan werd verhoogd, moest Hij vallen tot in de diepste benauwdheid van de hel toe. Om de straf te dragen en de schuld te verzoenen. Om zich met Zijn bloed een gemeente te kopen, die zou mogen schuilen in de schaduw van Gods vleugelen. Zou mogen uitvliegen ónder en gedragen worden óp die vleugelen. Opdat er eeuwige armen zouden zijn onder mensen, die weten het op eigen kracht niet te redden. Het is de Heilige Geest, die ogen geeft van het geloof om in de uitgespreide armen van de gekruisigde Christus Gods uitgebreide vleugelen te ontdekken. Die met alle zonde en zwakheid én met alle dank uitdrijft tot in Zijn armen. Die zo het persoonlijk en het kerkelijk leven maakt tot een gedrágen leven.

Echt omzien en echt uitzien is ópzien. Zoals Mozes deed. Dankbaar, ootmoedig, blijvend afhankelijk en met verwachting. Ere, Wie ere toekomt!

Middelburg, J.G. Schenau

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1992

De Wekker | 8 Pagina's

Gedragen leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1992

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken