Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het eigen geloofsleven van de pastor (Over het pastoraat VI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het eigen geloofsleven van de pastor (Over het pastoraat VI)

6 minuten leestijd

Op twee manieren kunnen we over dit onderwerp schrijven. Allereerst hoe de pastor zelf zijn geloof beleeft. Dan zullen we aandacht geven aan zijn persoonlijke omgang met God, aan het bijbellezen en het bidden. We noemen dat ook wel: aan zijn spiritualiteit. Hoe oefent hij zich in het leven met God? Hoe beoefent hij de praktijk der godzaligheid?
Hierover wil ik het in dit artikel nu niet hebben. Ik wil nu ingaan op de vraag naar de plaats van de geloofservaring van de pastor in zijn omgang met anderen.

Mag hij ook eigen vragen, twijfels en onzekerheid ter sprake brengen? Kan hij in het pastoraat ook zichzelf kwijt? Of moet hij afstandelijk en objectiverend de gesprekspartner benaderen?
Moet hij trachten de rol van deskundige te spelen, die vanuit zijn professie zelf buiten beeld blijft? Alleen de ander belangrijk achten omdat deze geholpen moet worden?

We kunnen twee posities tekenen, die precies tegenovergesteld zijn. Allereerst de hierboven aangeduide. Dat is de houding van de vakman, de specialist, die objectiverend met de ander omgaat en zichzelf niet ter sprake brengt. De grote vraag is hoe men met zo'n houding invoelend pastoraat kan beoefenen. Is dit nog wel menselijk, laat staan medemenselijk pastoraat? De tegenovergestelde houding is die van een zich met de ander identificerend pastoraat. Er is nauwelijks nog verschil tussen de pastor en zijn gesprekspartner. Men kan in dit verband spreken over solidariteit, over naast de ander staan en met de ander meegaan, hetzelfde voelen wat de ander voelt, niet boven de ander staan maar één met hem zijn.

Gelukkig behoeven we tussen deze beide niet te kiezen. Er laat zich een derde houding denken. Die kiest haar uitgangspunt niet in de professie met haar afstandelijkheid; evenmin in de identificatie met de ander krachtens solidariteit. Deze derde houding kiest haar vertrekpunt in de opdracht om als pastor dienstbaar te zijn aan de ander.
Met deze formulering zijn twee polen gegeven. De ene is die van de Goede Herder, in Wiens dienst de pastor staat. Het gaat om Zijn zaak. Zijn werk in het leven van de ander.
De Goede Herder besteedt Zijn zorg aan de gesprekspartner door middel van de pastor.
De pastor is als persoon en als gelovige bij het pastorale gesprek betrokken. Hij kan noch mag zichzelf uitschakelen. Hij mag evenmin dominant aanwezig zijn. Dienstbaar moet hij willen zijn. Bij deze dienstbaarheid behoort zich in dienst stellen van de Goede Herder Die Zijn zorg door het Woord besteedt aan de ander. Bij de dienstbaarheid hoort ook het gericht zijn op de ander, de belangstelling voor de ander en het zich ter beschikking stellen.
Tussen deze beide polen beweegt zich de pastor. Alles wat dienstbaar is aan het dienstbetoon in naam van de Goede Herder mag aangewend worden. Alles wat de aandacht van de Goede Herder afleidt, moet geweerd of gemeden worden.

Als de pastor iets van zijn eigen relatie tot de Goede Herder in het pastorale gesprek ter sprake brengt, zal dat alleen gebeuren om zijn eigen dienstbetoon te intensiveren. Hij zal dat niet doen om zijn eigen ervaring te demonstreren. Wij hebben erop gewezen dat de pastor in dienst staat van de Heilige Geest. Dit betekent twee dingen: zelf delen in het heil door de Geest en tegelijk ook zelf met de uitdeling van het heil in dienst staan van de Geest. Een pastor kan met zijn aandacht voor het zelf delen in het heil, het uitdelen in dienst van de Geest in de weg staan, verhinderen en zelfs tegenstaan. Dat gebeurt daar waar zijn delen in het heil de eigenlijke inhoud wordt van het uitdelen van het heil. Daar neemt hij met zijn ervaring en zijn geloofsbeleving de plaats in van Jezus Christus en Diens werk. Zo is hij voor de Goede Herder een belemmering. Deze ervaring kan van verschillende aard zijn. Ze kan zijn extase en bevlogenheid. Ze kan ook bestaan in zijn eigen moeite, zorg en twijfel.
Een pastoraat dat op de ander gericht is en ervan getuigt dat de pastor zelf in het heil deelt, is pastoraat met realiteitsgehalte. Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord. „Ik ben er zeker van dat niets ons zal scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus, onze Heere."
Eigen geloofservaring mag in het pastoraat een plaats innemen als een dienend element. Uit het gesprek erover blijkt dat de pastor niet over een vreemde zaak spreekt. Hij kent de zaak uit eigen ervaring.
Die ervaring gaat over hoogten en diepten. Beide mogen in het pastorale gesprek ter sprake komen, in zoverre de vermelding ervan dienstbaar is aan de uitdeling van het heil.
Daar waar de ervaring van de pastor in het gesprek de plaats van het heil inneemt, gaat het radicaal fout. Eigen ervaring mag dus een plaats hebben als aanduiding van heil. Het is een uitroepteken achter het realiteitsgehalte van het heil. Datzelfde geldt van de negatieve ervaringen, van de moeiten om het geloof vast te houden en erin te volharden.
Eigen ervaring als dienstbaar aan en dus in dienst van de verkondiging, maar nooit dominerend.
Hiermee is een grens gewezen aan het ter sprake brengen van zichzelf door de pastor. Waarom en waartoe en hoe doet hij het? Wat beoogt hij ermee? De pastor brengt immers niet zichzelf. Hij staat in dienst van Jezus Christus. Hij verwijst naar Hem. Niet als een roestige wegwijzer, maar als een levende getuige. Van dat levend getuigenis is Paulus' pastoraat, blijkens zijn brieven, vol. Een getuigenis omtrent Jezus Christus voor anderen.
Wij willen in dit verband de term doorleefd pastoraat gebruiken.
De pastor hoeft zichzelf niet te verstoppen in het gesprek. Hij mag zichzelf met zijn geloof en twijfel ook niet etaleren. De Heere Jezus heeft hardop tot Zijn Vader gebeden (denk aan de kruiswoorden). Hij heeft gezucht. Hij liet zien dat Hij ontsteld was. Hij heeft dat ook gezegd (Johannes 12:27-28). Hij heeft Zijn tranen niet verborgen voor de mensen om Hem heen (Johannes 11:35).
Al deze emoties worden ons beschreven om de menselijke kant van Jezus' pastoraat ons te tekenen. Ook op dit punt mag de pastor het beeld van de Goede Herder vertonen, niet dominerend, maar dienend.

W.H. Velema

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1993

De Wekker | 16 Pagina's

Het eigen geloofsleven van de pastor (Over het pastoraat VI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1993

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken