Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Opmerkelijk, eigenlijk een beetje onbegrijpelijk, in elk geval een uitdaging

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Opmerkelijk, eigenlijk een beetje onbegrijpelijk, in elk geval een uitdaging

12 minuten leestijd

U hebt dat bericht in de krant natuurlijk ook als zeer opmerkelijk ervaren. In ons land worden steeds meer bijbels gekocht. In een hoog percentage van de Nederlandse huishoudens zou volgens een recent onderzoek een bijbel voorhanden zijn. En volgens een vooraanstaand dagblad wordt in Amsterdam een cursus op gang gebracht die tot doel heeft buitenkerkelijke mensen de bijbel te leren lezen en hen op die wijze te leren zien en begrijpen hoezeer onze westerse cultuur in bijbelse normen en waarden is gedrenkt. Je kijkt van zo'n bericht op, temeer als je tegelijkertijd moet vaststellen dat het proces van de secularisatie onverminderd doorgaat. Waar komt die toenemende vraag naar de bijbel vandaan? Zit hem dat vooral in een curieuze belangstelling? Voelt men het aan zijn of haar culturele vorming verplicht ook iets of veel van de bijbel te weten? Dat verschijnsel zou zich dan overigens alleen of in hoofdzaak in meer elitaire kringen voordoen. En daarin doet het zich ook wel voor.
In mijn actieve periode bij het concern dat ik heb mogen dienen, heb ik jaren te maken gehad met een lid van de raad van bestuur, dat de centrale waarheden van Gods Woord voor zijn eigen leven niet onderschreef, maar die wel over een grote kennis van de bijbel beschikte omdat hij er veel lessen in levenswijsheid in ontdekt had. Voorzover die op het humanitaire vlak of in de sociale sfeer lagen, maakte hij er graag gebruik van, nu eens op meer ludieke toon maar soms ook in meer serieuze zin.
Als hij mensen in hun functioneren wat meer de vrije teugel wilde geven haalde hij graag „de dorsende os die men niet mag muilbanden" aan en mensen die misnoegd waren over de te geringe en langzame groei van hun salaris, verwees hij graag naar wat de apostel Paulus eens heeft gezegd over wat een mens in zijn streven naar materieel gerief eigenlijk genoeg moet zijn. Graag ging hij met christenen over het boek, dat hen op het lijf geschreven moest staan, een gesprek aan, maar hij sprak er nogal eens verbazing over uit dat zijn verwijzingen naar bijbelse uitspraken bij veel van zijn christen-medewerkers maar zo weinig herkenning vonden. En dat zij zich bij zo'n gesprek dikwijls zo ongemakkelijk toonden...
Het zou ook kunnen zijn dat het geestelijk vacuum dat door de secularisatie in het leven van mensen ontstaat op een of andere manier toch weer wil worden gevuld. Iets daarvan is in de samenleving af en toe voelbaar. Tot in neutrale dagbladen toe wordt mij te veel aandacht aan dingen van geloof en leven gegeven dan dat je zou kunnen zeggen dat het er niet is. Er is verlangen naar God, naar Godservaring, in veel gevallen op de manier van de onbekende God waarover Paulus in Athene sprak. In NRC-Handelsblad van 4 oktober jl. drukt redacteur Marjolein de Vos dat uit in de woorden „Maar dat neemt niet weg dat we in onze onmacht, onze wanhoop en onze onwetendheid soms wel heel graag zouden willen voelen dat er een goddelijke eeuwigheid is die ons bestaan overstijgt."
Dit alles zo zijnde, is er de heel belangrijke vraag of dit de kerk van Christus in haar getuigenis kansen biedt en dat dan vooral in de sfeer van het persoonlijke getuigenis van elk individueel kerklid. Want daarop komt het vooral aan, veel meer dan op de evangelisatie in georganiseerd verband, hoe belangrijk en noodzakelijk die ook is.

Wordt er iets naar buiten uitgedragen?
Twee ouderlingen in één van de grote steden kwamen enige tijd geleden op de gedachte om in hun wijk in het gesprek bij het huisbezoek, zowel bij jongeren als bij ouderen, consequent de vraag op te nemen hoe men het christen zijn in de samenleving van vandaag ervaart. Anders gezegd: bent u, ben jij, wel eens in de gelegenheid of neemt u, neem jij, wel eens het initiatief om in de ontmoeting met mensen in werk- en woonomgeving iets te laten blijken van wat u zegt te belijden en te geloven? Voor zover wij ons godsdienstige tradities in de vorm van trouwe kerkgang en het christelijk ritueel in gezinsverband nog trouw waarnemen, drukken we daarin uit dat het om onmisbare geestelijke waarden gaat.
Wij zeggen en zingen in de zondagse samenkomsten met overtuiging uit, dat het leven zonder de diepe waarden van ons christelijk geloof onleefbaar zou zijn, maar wordt er van die overtuiging in ons leven van elke dag nu ook iets naar buiten uitgedragen? Zijn wij voor onze collega's, buren, familie en vrienden herkenbaar als mensen, die zich in alle dingen van het dagelijks leven aan het Evangelie van Christus wensen te oriënteren en die zich er niet voor schamen om daarvan in bepaalde situaties onomwonden blijk te geven?
Wanneer we op kantoor, in bedrijf, op school of aan de universiteit bij collega's en vrienden op een situatie van verdriet stuiten, is er dan vanuit het Evangelie wel eens een handreiking in de vorm van een bemoedigend woord? Als zich in onze omgeving een situatie van onrecht in de menselijke verhoudingen voordoet, durven wij daarop dan vanuit onze geloofsopvattingen zonder aanzien des persoons in te spelen? Wanneer in gesprekken onder collega's of in welke andere verbanden ook, televisieuitzendingen of publikaties ter sprake komen, waarin de naam van God en die van Zijn volk in deze wereld oneer wordt aangedaan, durven wij ons daarvan dan openlijk te distantiëren door te laten blijken dat wij ons van het twijfelachtige genot van zulke uitzendingen en publikaties wensen te onthouden?
Is er, als wij in het bedrijfsleven misschien op een post met meer dan gewone verantwoordelijkheid zijn geplaatst, protest wanneer met commerciële, fiscale of andere handigheden wordt gepoogd financieel voordeel te bewerkstelligen, terwijl evident is dat het om illegale manipulaties gaat? Wanneer in de verbanden waarin wij ons dagelijks bewegen vraagstukken als milieu, herziening van de economische structuren ten gunste van de landen van de derde wereld en de onontkoombare teruggang in ons welvaartsbestaan ter sprake komen, proberen we dan naar het ons gegeven inzicht en vanuit de noties die het Woord van God daaromtrent bevat, voorzichtig mee te denken?
Wanneer de samenleving steeds sterker de neiging vertoont zich van christelijke tradities te ontdoen en op allerlei terreinen een beangstigende daling van het normbesef te zien geeft, mag dan van ons gelden wat in psalm 119:30 staat, namelijk dat ons hart ten aanzien van wat God heeft ingezet, één en ondeelbaar is en dat wij onbesmeurd en onbesmet Gods naam in heel ons leven laten lezen? Zo maar een paar vragen...

Gelegenheden te over, maar ik mis de durf...
De antwoorden die op de huisbezoeken werden gegeven waren even eerlijk als teleurstellend. Van een overdracht van de eigen geloofsopvatting was nagenoeg geen sprake. Aan een gesprek over God en godsdienstige zaken met andersdenkenden kwam men in het dagelijks leven niet toe. Zelfs in de ontmoeting met geloofsgenoten, bij wie men toch snel aansluiting zou kunnen verwachten, kwam het er maar zelden van, zo erkenden enkelen heel eerlijk.
Een vliegtuigmonteur, die in een montagehal met buitenlandse arbeiders werkt, nam het bij discriminerende opmerkingen van zijn Nederlandse collega's nog wel eens voor zijn buitenlandse collega's op, maar van enig geloofsgetuigenis in diepere zin kon echt niet worden gesproken. Met de buren over het geloof praten? Tot nu toe was het er echt niet van gekomen.
De argumenten die ter verontschuldiging werden aangevoerd, vertoonden een grote variatie. Ik mis het vermogen om mijn gedachten over God en de geestelijke dingen tegenover anderen in duidelijke woorden om te zetten, merkte een broeder op. Gelegenheden te over, maar ik mis de durf om zo'n gesprek aan te gaan.
Hoe zal ik de weg naar God wijzen als ik er niet zo zeker van ben dat ik zelf mij ook werkelijk op die weg bevind? Waar blijf ik als ik anderen op Jezus Christus wijs en zelf in alle dingen van mijn leven niet zijn beeltenis vertoon? Hoe overwin ik het gevoel van gêne en verlegenheid, dat veelal niet losstaat van het algemene gevoel van onbehaaglijkheid en ongemakkelijkheid dat over mensen komt, wanneer een gesprek op dingen van geloof en leven wordt gebracht?
Andere argumenten waren: de volstrekte ongeïnteresseerdheid van de onkerkelijke mens in onze samenleving; de meewarig aandoende welwillendheid, waarmee uit burgerlijke of collegiale beleefdheid naar het geloofsgetuigenis van christenen nog wel wil worden geluisterd; de agressieve bekeringsdrift waarmee allerlei godsdienstige groeperingen en sekten de samenleving van vandaag te lijf gaan en die de goodwill van de kerken en haar leden in het getuigenis naar buiten grote schade doet; de moeite die men heeft om aan de moderne mens duidelijk te maken dat ook op de vragen van deze tijd nog de oude antwoorden van de bijbel kunnen worden gegeven.
Als er in de kerken intern met betrekking tot het Woord van God al zoveel onduidelijkheid en innerlijke verdeeldheid bestaat, hoe zal ik dan naar buiten het Evangelie aanprijzen als medicijn voor persoonlijke en groepsconflicten?

Incognito
Veel christenen gaan incognito (onherkenbaar) door de wereld. De antwoorden op de huisbezoeken, die waarschijnlijk symptomatisch zijn voor de brede christenheid in ons land, bewijzen dat en de ervaringen van hen die dagelijks in grote (en misschien ook wel in kleinere) werkgemeenschappen verkeren, bevestigen dat. Natuurlijk mag men geen onrecht doen aan al diegenen, die zich solitair of in georganiseerd verband, sterk maken voor de verbreiding van het Evangelie in onze geseculariseerde samenleving, maar het kan niet worden ontkend dat veel christenen in een samenleving die al meer ontgoddelijkt, in hun levensopenbaring naar buiten God niet meer of steeds minder present stellen. Geldt van velen van ons niet dat men nog wel van ons weet dat we tot één van de vele gereformeerde denominaties behoren, maar dat uit onze levensstijl niet is af te lezen dat wat wij zeggen te geloven en te belijden, ook werkelijk een integrerend bestanddeel van ons leven is geworden?

Ontbrekende drang
Zonder afbreuk te willen doen aan de betekenis van de opzettelijke evangelisatie zoals die in georganiseerd verband plaatsvindt (die overigens door de buitenkerkelijke wereld niet zelden als kunstmatig gearrangeerde propaganda wordt ervaren), mag men zonder twijfel stellen, dat de grootste invloed van het Evangelie op de samenleving besloten ligt in het getuigende leven van de christen in de ontmoeting met mensen waarmee hij dagelijkse omgang heeft. Het ontbreekt ons echter maar al te veel - zo niet algeheel - aan drang tot en bereidheid om rekenschap te geven van de hoop die in ons is en het schort vaak aan durf om mensen, die misschien bezig zijn met de laatste resten van hun godsdienstig verleden af te rekenen, in liefde en zachtmoedigheid tot andere gedachten te brengen. Te weinig leeft het besef in ons dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, een ziel van de dood zal behouden en menigten van zonden zal bedekken (Jak. 5:19 en 20).
Een kerk waarvan de leden niet (meer) getuigend in de wereld staan, heeft haar kracht in de samenleving verloren. Als we klagen over de toenemende ontkerkelijking, zal dat moeten gebeuren in de context van het afgenomen getuigenis in woord en daad van de individuele gelovigen.
Wie om zich een kijkt en goed luistert zal ontdekken dat er voor dat getuigenis méér openingen zijn dan wij misschien denken. En dat is dan een uitdaging voor ons.
En een opdracht tevens.


Geloven in een rustige toon
De meeste mensen die nu zo „modieus" (ja hoe meer we erover praten en schrijven hoe modieuzer het wordt natuurlijk) ook eens de kant van de kerk op kijken gaat het gewoon om de aloude vragen en verlangens: het verlangen naar zingeving, troost, een „bezield verband" om die woordcombinatie maar weer eens te voorschijn te halen. Dat zijn niet per se gevoelens of verlangens om tegen ten strijde te trekken - het zijn wel verlangens waar de kerk zich al heel lang en niet zonder vrucht, mee bezig heeft gehouden. Net als de kunst, en soms in combinatie. Wie ontroerd wordt door kerkelijke muziek, door psalmteksten, door schilderijen of gedichten die op een of andere manier uitdrukking geven aan een geloof in iets groters dan wij zijn, die kan ernaar verlangen om deel te hebben aan dat geloof. De psalmen bieden nogal eens die eigenaardige, niets verzachtende troost, door het vluchtige en nietige van het mensenleven tegenover de eeuwigheid van God te zetten: „Want duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren wanneer hij voorbij gegaan is (-) als een slaap in de morgen, als het gras dat opschiet; in den morgenstond bloeit het en het schiet op, des avonds verwelkt het en het verdort." Of: „De sterveling - zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer."
Mooi, die gras-metaforen, mooi ook het verkleinen van het menselijk leven tot iets zo vluchtigs in verhouding tot het „van eeuwigheid tot eeuwigheid".
Marjolein de Vos (redacteur) in NRC Handelsblad van 4 oktober 1997


Bijbeluitleg als culturele vorming
Amsterdam - Het Amsterdamse centrum voor religie en cultuur De Rode Hoed gaat vanaf januari 1997 bijbeluitleg voor buitenkerkelijken verzorgen. Tijdens buitenkerkelijke bijeenkomsten zal de tekst van de gehele bijbel worden gelezen en uitgelegd voor mensen die weinig weet meer hebben van de bron van de christelijke traditie.
Haagsche Courant, sept. '96


Behartenswaardige lessen in moeilijkste boek van de wereld
Het is onmiskenbaar dat de Bijbel geen gemakkelijk boek is maar wat veel mensen vooral afschrikt is het feit dat ze niet snappen wat wordt bedoeld. Diezelfde mensen beseffen echter zeer goed dat de Bijbel van onmiskenbare invloed is op de Westerse cultuur en dat ze daarom meer van de Bijbel zouden moeten of willen weten. In nogal wat gevallen reikt de Bijbelkennis niet verder dan een aantal zegswijzen, zoals „iemand op handen dragen", „hoogmoed komt voor de val", „beter een goede buur" en „het hoofd in de schoot leggen". Waarbij het nog maar de vraag is of men wel weet dat deze zegswijzen in de Bijbel voorkomen. Het is een behartenswaardige poging om mensen kennis te laten maken met een belangrijke bron van onze beschaving. NRC-Handelsblad 7-9-'96

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1996

De Wekker | 16 Pagina's

Opmerkelijk, eigenlijk een beetje onbegrijpelijk, in elk geval een uitdaging

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1996

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken