Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het onderlinge toezicht binnen de christelijke gemeente

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het onderlinge toezicht binnen de christelijke gemeente

9 minuten leestijd

Het is al weer een tijdje geleden dat ik in het kader van volwassenencatechese over kerkverband en kerkorde met een aantal gemeenteleden sprak over het onderwerp "taken van 'gewone gemeenteleden' in het licht van de kerkorde". Dat bleek, dat voor veel gemeenteleden de kerkorde erg ver van hun bed stond was niet echt verbazingwekkend. Bijzonder was wèl, dat lézen in diezelfde kerkorde een heleboel verrassing opleverde. Een onderdeel van die verrassing had te maken met wat de kerkorde zegt over het functioneren van het onderlinge toezicht in de gemeente. Daarover iets meer in dit artikel.

In het Nieuwe Testament lezen we op verschillende plaatsen dat het Gods bedoeling is dat broeders en zusters in de gemeente verantwoordelijkheid dragen voor elkaar. Ze mogen elkaar opbouwen in het geloof en samenwerken aan de opbouw van de gemeente als lichaam van Christus (1 Kor. 12).
Gemeenteleden hebben echter ook verantwoordelijkheid voor elkaars standhouden in het geloof. Dat zien we in teksten als 1 Kor. 10:23-11: 1 of Kol. 3:12-17. Wanneer iemand van de weg van Gods geboden dreigt af te raken of achterop dreigt te raken in het geloof, moet de gemeente zo iemand aanmoedigen om terug te keren naar een leven met de Here. Dit element van het elkaar terechtwijzen of vermanen vinden we in teksten als 2 Kor. 2: 5-7, 1 Thess. 5: 11-15 en Hebr. 3: 12-13. Uiteindelijk kan het zelfs zover komen dat iemand uit het midden van de gemeente verwijderd moet worden als hij na terechtwijzing volhardt in een zonde die niet kan bestaan binnen de gemeente van Christus (zie o.a. 1 Kor. 5: 1-13 en 2 Thess. 3: 14,15).
Uit al deze teksten kan worden opgemaakt dat het Gods bedoeling is dat in de gemeente broeders en zusters op elkaar toezien. Omdat we elkaar in Christus liefhebben, zullen we elkaar ook aansporen en vermanen om bij Christus te blijven. We letten op de rol van de gemeente...

...in de broederlijke vermaning (KO art. 72-74)
De duidelijkste plaats in de kerkorde waar het aspect van het onderling vermaan in de gemeente verwerkt is, is artikel 72-74, waar het gaat over het broederlijke vermaan volgens 'de regel van Mattheüs 18'. Deze regel is gebaseerd op Mattheüs 18: 15-17, waar de Here Jezus een duidelijke richtlijn geeft voor het onderlinge vermaan in de gemeente. Naar deze regel hebben de Gereformeerde kerken zich steeds willen gedragen. In de Roomse kerk waren onderlinge terechtwijzingen door gemeenteleden onbekend. Maar Calvijn zei dat het fundament van de tucht de persoonlijke vermaningen waren, en vooral het ontvangen van vermaningen.
Bij de toepassing van dit beginsel bleek echter dat in de praktijk de onderlinge vermaningen vaak achterwege bleven. En hoewel het ook in onze kerkorde een heel duidelijke plaats heeft, komt het ook in ons kerkelijk leven nog steeds vaak voor dat een gemeentelid met een klacht tegen een broeder of zuster bij de kerkenraad komt, in de mening dat deze direct moet ingrijpen. Maar pas wanneer een gemeentelid eerst zelf onder vier ogen geprobeerd heeft zijn broeder te winnen op de manier die de Here Jezus voorgeschreven heeft, kan de kerkenraad in actie komen.
Als het zover komt dat een zonde aan de kerkenraad wordt gemeld, zal de kerkenraad eerst zelf een onderzoek moeten instellen. Bij gebleken schuld zullen dan kerkelijke vermaningen volgen. En pas als aan al deze vermaningen gedurende langere tijd geen gehoor wordt gegeven, zal de kerkenraad overgaan tot wat vaak 'de christelijke tucht' wordt genoemd. Hiermee worden dan de drie trappen van de ban bedoeld waardoor iemand uiteindelijk afgesneden wordt van de christelijke gemeente. Maar nogmaals: het begin en eerste verantwoordelijkheid van de christelijke tucht ligt bij het onderlinge toezien op elkaar in de gemeente.

...in de kerkelijke tucht (KO art. 77)
Als het zover gekomen is dat een weg naar afsnijding van de gemeente gegaan moet worden, zal de kerkenraad daar driemaal afkondiging aan de gemeente van doen. Bij de eerste afkondiging wordt de naam van het gemeentelid niet genoemd (met het oog op de mogelijkheid dat iemand zich bekeert en weer in de gemeente zijn plaats zal innemen). Bij de tweede afkondiging zal de kerkenraad na advies van de classis zijn naam wel bekendmaken, en bij de derde afkondiging wordt gemeld dat men hem nu daadwerkelijk van de gemeente zal uitsluiten als er geen bekering komt.
Wat is nou de bedoeling van dat driemaal afkondigen in het midden van de gemeente? Ten eerste dat er een tijd van geduld zal zijn; er moet ruim de gelegenheid worden gegeven voor bekering en vergeving. Maar dat zou ook op een andere manier wel te bereiken zijn. Het belangrijkste doel van de afkondiging in de gemeente is, dat er door die gemeente keihard gewerkt zal gaan worden. De bedoeling is dat de hele gemeente gemobiliseerd zal worden om dat ene gemeentelid dat dreigt verloren te gaan te behouden. Zoals de Goede Herder er alles voor over had om dat ene schaap dat verdwaald was weer te vinden, zo moet die gemeente alles in het werk stellen om door gebeden en gesprekken te proberen het gemeentelid weer terug bij God te brengen. Dat is het doel van het driemaal afkondigen in de gemeente: dat de gemeente haar taak van onderling toezicht uit liefde zal opnemen.

...bij wederopneming in de gemeente (KO art. 78)
In de oude kerk kwam het regelmatig voor dat van mensen na berouw weer opgenomen wilden worden in de gemeente (vooral in tijden van vervolging, wanneer mensen tot een verloochening van hun geloof gekomen waren). In ons kerkelijk leven is een situatie van wederopneming in de gemeente zeldzaam geworden. Voor een deel komt dit doordat het al bijna niet voorkomt dat een weg tot afsnijding van de gemeente tot het einde toe gevolgd wordt. De praktijk is meestal dal mensen voordat het zover komt zichzelf onttrekken van de gemeente. Toch moet de mogelijkheid voor deze situatie principieel opengehouden worden, en heeft de gemeente ook hierbij een mooie taak te vervullen.
Wat is dan die taak van de gemeente? Allereerst mag zij op grond van schuldbelijdenis en tekenen van berouw in Jezus' naam de vrijspraak toespreken. En vervolgens moet de gemeente blij zijn! De engelen in de hemel verheugen zich over één zondaar die zich bekeert en de gemeente mag daarin meedoen. Daarom mag er geen koele ontvangst zijn, maar moeten er open harten vol liefde zijn. De gemeente moet iemand ontvangen als een huisgenoot van God en een volwaardig lid van de gemeente. Dat komt heel mooi uit in onze kerkorde als er staat dat de wederopneming in de gemeente moet plaatsvinden op de eerstvolgende zondag waarop het Heilig Avondmaal gewerd wordt. De bedoeling daarvan is dat het weer opgenomen gemeentelid direct het feest van het Avondmaal met de gemeente zal kunnen vieren.

...bij beroeping van ambtsdragers en het geven van attestaties (KO art, 82, 4, 5, 22, 24)
Een attestatie is een getuigschrift omtrent geloof en wandel die door een kerkenraad gegeven wordt aan een gemeentelid dat verhuist, zodat de kerkenraad van de nieuwe plaats weet wie hij ontvangt en of hij dat lid kan toelaten tot de sacramenten. Het gebruikt van zulke getuigenissen of aanbevelingsbrieven is zo oud als de kerk bestaat (Hand. 18: 17, Rom. 16: 1, 2 Cor. 3: 1).
De kerkenraad kan echter geen attestatie afgeven buiten de gemeente om. De gemeente moet haar goedkeuring eraan hechten. Om die reden moet aan de gemeente bekendgemaakt worden dat er een attestatie is aangevraagd, met de bedoeling dat de gemeente bezwaren kan inbrengen. Die afkondiging is dus geen formaliteit, maar een voorstellen aan de gemeente ter beoordeling of een attestatie van goede wandel kan worden afgegeven. Na het aflezen in de gemeente moet dan ook even gewacht worden voor het getuigschrift wordt afgegeven. Ook het geven van deze goedkeuring is een vorm van onderling toezicht in de gemeente.
Ditzelfde geldt voor de goedkeuring die van de gemeente gevraagd wordt na de verkiezing van nieuwe ambtsdragers. De kerkorde spreekt hiervan in art. 4 en 5 (predikanten), art. 22 (ouderlingen) en art. 24 (diakenen). De verkiezing van ambtsdragers zou je een stukje kerkregeling kunnen noemen (vandaar dat alleen stemgerechtigde leden hieraan mee kunnen doen), maar de approbatie of goedkeuring die daarop volgt is een vorm van tuchtoefening en heeft te maken met het onderlinge toezicht in de gemeente. Alle leden van de gemeente (ook doopleden en leden onder censuur), hebben het recht om bezwaren in te brengen vanwege hun roeping om toezicht te houden op de heiligheid van de kerk.

...bij doop en huwelijk (KO art. 56, 57, 70)
Ook rondom de doop mag de gemeente een rol spelen. Op de achtergrond moeten we daarbij denken aan de vroegere doopgetuigen. Hoewel Calvijn stelde dat de doop een zaak van de ouders was en in de kerkorde opnam dat de beloften bij de doop door tenminste de vader moesten worden gedaan, liet hij ook ruimte voor getuigen bij de doop: gelovige leden van de kerk, die erop toezagen dat de kinderen in de leer van de kerk onderwezen werden. Ze moesten de ouders herinneren aan hun belofte, maar konden ook optreden bij ziekte of na de dood van de ouders. Langzamerhand is voor deze doopgetuigen de hele gemeente in de plaats gekomen. De hele gemeente is getuige van de doop en heeft mede een verantwoordelijkheid voor het opgroeien van het kind. In sommige gemeenten wordt hieraan expliciet uitdrukking gegeven door na het stellen van de vragen aan de doopouders ook de gemeente enkele vragen te laten beantwoorden.
Diezelfde rol van het elkaar ondersteunen om bij Gods weg te blijven vinden we tenslotte ook rondom het huwelijk. Een bruidspaar belooft bij de bevestiging van hun huwelijk dat zij met elkaar naar de eis van Gods Woord willen leven en dat zij hun eventuele kinderen in de vreze des Heren zullen opvoeden. De gemeente mag hen aan die beloften herinneren en heeft een taak in het aansporen en bemoedigen daarin.
Op al deze manieren blijkt hoe een kerkorde die soms ver van ons bed staat ons heel praktisch aanspoort om binnen de gemeente van Christus daadwerkelijk een hand en een voet voor elkaar zijn, tot versterking van elkaars geloof, tot opbouw van de gemeente en tot eer van onze God. Als we die kerkorde nou eens op die manier zouden gebruiken, zou dat niet tot zegen zijn?

Miranda Renkema
(drs. M. Renkema-Hoffman te Haarlem is theologe)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 2005

De Wekker | 16 Pagina's

Het onderlinge toezicht binnen de christelijke gemeente

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 2005

De Wekker | 16 Pagina's

PDF Bekijken