Christus en de toekomst van de kerk (De Heerschappij van Christus over de kerk 3)
De intieme band tussen Christus en zijn lichaam reikt wonderlijk ver. De toekomst van Christus heeft gevolgen voor de toekomst van Zijn kerk. Dat te geloven zou wel meer als rijkdom gezien mogen worden in de kerk. Christus is onze Here. En zijn heerschappij is vol heerlijkheid! Het uitzicht op de toekomst van de kerk rust op de christologie. Anders gezegd: Onze toekomst is in handen van Christus.
Enkele bijbelse realiteiten moeten in deze samenhang gezien worden. De heerschappij van Christus kan niet bestaan los van zijn middelaarswerk. Christus is Heer en Koning, omdat zijn Vader Hem het drievoudige ambt gaf van Koning, Priester en Profeet. Als we denken aan de toekomst van Christus, moeten we het fundament van die toekomst zien in de verzoening die is bewerkt op Golgota. Christus die ons Hoofd is, is Dezelfde die is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, en op de derde dag weer opgestaan van de dood. Dit is ten diepste de basis van zijn koninklijke heerlijkheid.
Dit koningschap van de Here Jezus is niet een statisch gegeven. Het is verwikkeld in een strijd op leven en dood met de macht der duisternis die in feite ontwapend is op Golgota (zie Kol. 2: 14-15) en onderworpen is aan Gods uiteindelijke eeuwige heerschappij. Het koninkrijk van God is vol van het heil in Christus.
Als we het zo compact mogelijk willen zeggen, kunnen we benadrukken dat het wezen van het koninkrijk tegenwoordig is in de persoon van Jezus Christus. Híj is het koninkrijk in persoon.
Dit alles betekent dat de kerk in Christus al leeft in de werkelijkheid van dat koninkrijk, maar nog niet zonder kwellingen en verleidingen. Satan is in beginsel ontwapend, maar tegelijkertijd moet de kerk bedacht zijn op de gedachten van satan. (2 Kor. 2: 11)
Wonderlijk helder zien we dat perspectief in de strijd, als Paulus in Efeziërs 6 de geestelijke wapenrusting van de gelovige beschrijft. Elk onderdeel daarvan staat voor een aspect van het werk dat is volbracht door de Here Jezus. De mens heeft zelfs in de kleinste stukjes van de overwinning geen aandeel. Hij hoeft slechts gelovig staande te blijven en te bidden in de Geest.
Dit betekent: de kerk kan nooit grootspreken over haar eigen wapenfeiten. Zij mag wandelen in het geloof, in de wetenschap – misschien temidden van verleidingen en vervolgingen – dat onze Here en Koning, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen.
Garanties voor de toekomst
Hoe kan de kerk van de haar beloofde toekomst zeker zijn? Uit wat tot dusver is gezegd blijkt dat die zekerheid een zekerheid in geloof is. In die zekerheid zit de combinatie van twee dingen:
1. De overwinning op alle vijanden van God is behaald. Daar kan geen twijfel over bestaan. Het overwinningslied wordt al gezongen: ‘Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom en de wijsheid en de sterkte, en de eer een de heerlijkheid en de lof!’(Openb. 5: 12) De Bijbel staat vol met deze lofliederen op God!
2. De kerk wandelt in geloof, niet in aanschouwen. (2 Kor. 5: 7) Wandelen in geloof betekent niet leven in onzekerheid maar in een wetenschap die goddelijk en gegarandeerd zeker is. Is de Heilige Geest van God ons niet gegeven als verzegeling tegen de dag der verlossing? (Ef. 4: 30) De andere uiting van deze garantie, deze realiteit van de Heilige Geest – dat is de realiteit van het geloof – blijkt als Paulus spreekt van de Geest die wij als eersteling, als eerste gave hebben ontvangen, en als hij zegt dat wij zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. (Rom. 8: 23).
Het is de Geest die ons ervan overtuigt dat zo’n volkomen harmonie bestaat in het werk van de drie-enige God. Het is alles vanwege de eeuwige liefde van de Vader; het is alles in Christus, en niets zonder Hem; het is alles deel van het leven in geloof en hoop van de gemeente die een heilige tempel van de Heilige Geest is, en die ‘mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest’. (Ef. 2: 22)
De vervulling van het werk van Christus
Er is veel getwist over de vraag of aan het verzoeningswerk van Christus een einde zal komen, zodat Hij dan niet langer de Heiland zal zijn, of niet langer als de Zoon te onderscheiden is van de Vader.
Uitkomst van die gedachte zou zijn dat uiteindelijk Christus niet langer Hoofd en Koning van de Kerk zou zijn, omdat zijn koningschap een tijdelijke functie vervulde in het alomvattende Koninkrijk van God. De Nederlandse theoloog A.A. van Ruler meende dat Christus in de voleinding zijn menselijke natuur zal afleggen. Aan de vleeswording van de Zoon van God zal een einde komen, en Hij zal terugkeren in het wezen van de drieenige God. Van Ruler noemt dat het ‘messiaans intermezzo’.
Onder gereformeerde theologen leeft het meest de overtuiging dat Christus zijn menselijke natuur behouden zal. Het gaat hierbij vooral om de betekenis van de woorden van Paulus in 1 Korintiërs 15: 27-28. We lezen daar dat, wanneer Christus al zijn vijanden onder zijn voeten heeft onderworpen, ja alles Zich onderworpen heeft, ook de Zoon zelf Zich aan de Vader zal onderwerpen, die alles aan Hem onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
Calvijn heeft zijn visie hierop al gegeven toen hij zei dat Christus, wanneer Hij zijn middelaarsambt heeft vervuld, niet meer de Gezondene van de Vader zal zijn. Hij zal dan de heerlijkheid aanvaarden die hij bij de Vader had voor de schepping van de wereld. Hij zal zijn koningschap aan de Vader overdragen. En dan zal de goddelijke heerlijkheid van Christus zelf te meer worden gezien, zoals die nu nog onder een sluier verborgen is.
Al in de vroege kerk was hier discussie over. Dat was in de tijd toen de kerk worstelde om op een getrouwe manier de leer van de drie-eenheid en van het eeuwige koningschap van Christus te omschrijven. Het Concilie van Constantinopel moest zich hier in 381 mee bezighouden. In zijn beslissing verwees het concilie naar Lucas 1: 33 waar deze belofte over Christus staat: ‘Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen.’
Twist over theorieën?
Deze discussies over de toekomst van het koningschap van Christus lijken een soort twist over theorieën. Dat is het soms ook wel geweest. Toch is het van belang voor de kerk of de band tussen ons Hoofd Christus en Zijn Lichaam, de kerk, eeuwig zal blijven bestaan of niet!
Let daarbij op de betekenis van het woord totdat in 1 Korintiërs 15: 25. ‘Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.’ Betekent dat, dat op het moment van zijn overwinning zijn koningschap een einde neemt? We moeten bedenken dat totdat eerder wijst op een doel en een toekomstperspectief dan op een begrenzing! Het woord heeft dezelfde functie als in Christus’ woorden in Matteüs 28: 20: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’. Wij weten niet wat er komen gaat na de voleinding der tijden, maar niemand hoeft te twijfelen of die toekomst zal niet minder zijn dan nu maar juist mooier en rijker.
In dat licht zien we ook de toekomst van Christus en de toekomst van de kerk.
Als Christus zich als Middelaar onderwerpt aan zijn Vader, wordt de onlosmakelijke band tussen Hem en Zijn kerk daarin meegenomen. Is dat niet de kroon op zijn werk als Heiland, en het antwoord op Zijn gebed in Johannes 17: 24: ‘Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld’? Dan, in de relatie tussen de Vader en de Zoon, is de harmonie volledig. Dat betekent overwinning vanwege het werk dat is volbracht, en vanwege de mensen die zijn thuisgebracht. Alles komt dan op zijn plaats. Christus is dan Koning zonder een taak die nog volbracht moet worden, maar zijn heerlijkheid als Koning blijft. Alles is volbracht. En eer en heerlijkheid blijven eeuwig, voor de Vader en voor het Lam.
1 Korintiërs 15: 28 eindigt met ‘opdat God zij alles in allen’. Deze woorden duiden op volkomenheid. Het einde dat nadert wil niet zeggen dat iets dan niet meer zal bestaan. Christus heeft als Middelaar van Zijn volk, van degenen die zijn vrijgekocht door zijn bloed, eeuwige betekenis. Vreugde in Hem zal onmogelijk kunnen ophouden. Vernieuwing en heerlijkheid in Gods aanwezigheid bestaan in eeuwigheid, door Christus. Het is in Hem, het is door Hem. Niet aan Christus voorbij, maar in Christus zal het de eeuwige rijkdom van de kerk zijn dat God is alles in allen.
In die zin zal er geen eind aan komen, dat Christus Koning en Heer is over zijn eigen volk.
J.W. Maris
(Prof. dr. J.W. Maris is hoogleraar dogmatiek aan de TUA.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 2006
De Wekker | 16 Pagina's