+ Meer informatie

Een Pinksterbede

10 minuten leestijd

„Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij zuidenwind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien.Hoogl. 4 : 16a.

Algemeen hoort men klagen over den geesteloozen, dorren tijd van thans. De hof van 's Heeren Kerk is ontbladerd; er kabbelen geen frissche beken meer, die verblijden de stad Gods; er is een ademtocht van wereldgelijkvormigheid, die bevriezing en versteening op haar vleugelen draagt. Er wordt nog wel gesproken over zonde, maar als frase, als begrip, als dogma, maar waar wordt de zonde nog gevoeld in haar vreeselijke realiteit als schuld voor God en beweend in waarachtige droefheid?
Vanwaar zal de lentegeur ontwaken? Wanneer zal de zangtijd des geestelijken levens weer aanbreken?
Verwacht het niet van zoo groote propaganda der Christ partijen, die veel meer een oog voor de breedte dan voor de diepte van 't leven hebben, maar verwacht het hiervan om met de bruid uit 't Hooglied te leeren bidden: „Ontwaak, noordenwind, en kom gij, zuidenwind”.
Wanneer wij er toch diep van overtuigd zijn, dat zonder den Heiligen Geest geen brandend hart gloeit, dat opvlamt tot een leven nabij den Heere, dat zonder den Heiligen Geest er geen roering is in de dorre doodsbeenderen en er geen vruchten in den hof des levens zullen ontluiken, — dat zonder den Heiligen Geest er geen juichtoon daarbinnen kan klinken van het „Abba-Vader”, dan stemmen wij ook aanstonds toe, dat wij aan niets zoo zeer behoefte hebben dan aan de werking des Heiligen Geestes. Dit woord uit het Hooglied wijst ons zoo uitnemend den weg, waarop wij naar en in het Heiligdom zullen worden geleid, om er de liefde Christi en de gemeenschap des Geestes te smaken. In het Hooglied is immers de persoon van den Christus de laatste en hoogste welluidende toon. De Noordenwind en Zuidenwind moeten waaien, opdat de bede van de bruid worde vervuld: „o dat mijn liefste tot Zijnen hof kwame en ate zijne edele vruchten”.
Het gaat in de ziel van Gods kind altijd om haar Heiland, en alle arbeid en worsteling des Heiligen Geestes beoogt niet anders dan dat Jezus Christus in ons en door ons verheerlijkt worde.
Zee menigmaal wij het Hooglied opslaan, moet de stem des verlangens uit het hart klimmen:

"'k Blijf wachten en smachten naar (Jezus, mijn Heer,
Hem zien, Hem gelijk zijn, wat blijdschap, wat eer.”

Altijd is de liefde van en tot Christus de banier, die in 't Hooglied in zoo heldere kleuren haar banieren ontrolt. Maar daar is geen ware, geen ongeveinsdeliefde, wanneer niet de ademtocht des Heiligen Geestes dit vuur der liefde ontsteekt en aanwakkert.
En daarom: ontwaak Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijnen hof.”
Het geeft vooreerst te denken, dat hier gesproken wordt van een hof. De zielewereld van den natuurlijken mensen is toch veel meer een wildernis, een woestijn te noemen. In die wildernis groeit geen enkele halm, die zal geborgen worden in hemelsche schuren, In de donkere droomwereld van 's menschen zieleleven ademen de duizenden dezer eeuw slechts bij de wulpsche voorstelling van een lachenden en spottenden tijdgeest !
Maar in den stroom van die bewegelijke dingen vindt het hart, dat naar God gaat dorsten, geen rust. Wanneer Gods genade de hand aan den ploeg slaat en den woesten grond daarbinnen begint te ontginnen en vruchtbaar maakt, dan wordt het naar het woord van den Godsman: „de wildernis zal bloeien als een roos en de woestijn zal worden tot een hof des Heeren”. Zoo wordt er nog wat- anders gezien dan kunstbloemen. Vele Christenen leven tegenwoordig bij de caricatuur. Van eer- onderzoekend en ontdekkend werk des Heiligen Geestes heeft menigeen geen verstand; van een al dieper graven om nog meer gruwelen te vinden, zijn velen afkeerig en met een vroom tintje en een fatsoenlijk lintje en een zuivere belijdenis en een plaats aan de avondmaalstafel is menigeen al te vreden.
Maar waar blijft het zelfonderzoek bij zoo groote en droeve zelfmisleiding, waar de ernstige vraag, in de drang van een biddend zielsconflict geboren, of wij wel een hof des Heeren, of wij wel Gods akkerwerk zijn. En dan zal deze bede van de bruid in de ziel weerklank vinden. Een oprecht kind van God leeft maar niet voort bij de gedachte: ziezoo, mijn papieren zijn in orde, mijn staat ligt vast, ik heb de stukken j leeren kennen. Dat zweemt veel naar ; den eigengerechtigden Simon, maar nog niet naar den ootmoedigen Petrus, die sprak, dat .de rechtvaardige nauwelijks zalig werd. De Heere houdt zijn volk ; klein en laat dat volk bij Geesteslicht veel meer zien, wat ze moeten worden. Gelijk de bruid uit 't Hooglied gevoelen wij veel meer ons te kort, ons gemis, ons afzwerven, ons grenzeloos ongeloof. Vandaar altijd weer de bede: „door- I waai mijn hof.” Hier hooren wij een roerend gebed, een stille verzuchting. Het gaat als in het natuurlijk leven. Wanneer een kind honger heeft, dan schreeuwt het, en wanneer er in ons een honger en dorst naar 's Heeren genade en sterkte is gewekt, dan gaal er ook voortdurend een schreeuw ten hemel. Hoe donkerder het dan wordt, hoe vuriger de ziel aanklopt.
Wanneer wij bij zeer donker, mistig weer op een boot ons bevinden, dan staat er bij den boeg van 't schip een man, die gedurig een stoot uit een misthoorn laat weerklinken. Zoo ook, wanneer het rondom ons nevelachtig wordt, wanneer de duisternis daalt in den hof van ons leven, en het ruime, vrije uitzicht naar Gods genadetroon wordt belemmerd, dan hoort ge ook zielstooten van Gods kinderen: „Heere, doorwaai mijnen hof” Dan willen wij vruchten oogsten, de bate van ons geloof genieten; wij zijn nu aan 't eind met onze prachtige en vrome redeneeringen, waarnaar ieder luisterde behalve onze ziel; wij staan weer naat leven aan onze ziel. Wij kunnen er zoo dor, zoo doodig op voortleven!
Maar hoe geheel anders wordt dit, wanneer ,s Heeren Geest den hof door-waait en zijn adem Iaat gevoelen. Dan telt ge weer bloemen, die geuren, vruchten die rijpen, specerijen, die uitvloeien. Zie, daar staat de roos des geloofs, die zich begint te ontsluiten en al haar pracht en geur ons spreidt. Wat is voortreffelijker dan ,t geloof, dat sterkt, dat wacht, dat overwint, dat als de stille hefboom de ziel opheft in haar druk, dat de boog spant en de pijl naar den hemel laat vliegen, dat het oog verheldert en zich nu in lot en weg aan den Heere toevertrouwt, belijdend:

„Mijn ziel is als een kind gespeend,
Én heeft zich met Uw wil vereend.”

Was het niet door dit geloof, toen Abraham het zegelied aanhief: „Op den berg des Heeren zal het voorzien worden”. Was het niet door dit geloof, toen Paulus en Siias in den kerker Gode lof zongen? Was het niet door deze zelfde onbegrijpelijke kracht des geloofs, dat zoo menigmaal Rome,s arena, waar ,t bloed der martelaren den bodem verfde, het hallel hoorde van 't blij vooruitzicht. O liefelijke, balsemende geur des geloofs!
Waar wij die genade onzes Gods in-drinken, daar kan ons veel, daar kan ons alles ontvallen, maar in werkelijkheid is er dan nog niets verloren, wanneer de taal des geloofs niet is verstomd:

„Maar God was aan mijn zij;
Hij ondersteunde mij
In ,t leed, dat mij genaakte.”

Wandel verder in den hof en wanneer 's Heeren Geest dien doorwaait, dan vindt ge naast de roos des geloofs de palm der hoop.
De hoop, is zij niet een heldere ster in den nacht van het leven van Gods kinderen? Zij geeft op ,t donker doek van het heden toch het schoon perspectief van een glorieuse toekomst en zegt: „wanneer wij alleen in dit leven op Christus waren hopende, dan waren wij de ellendigsten van alle menschen.”
De hoop — een lichtende fakkel; en wie die dragen mag in de hand des geloofs, die vindt ook in ,t duister den weg en tuurt en peinst zich niet suf bij al de verwarde draden en scheeve lijnen in zijn leven, maar het licht van het hemelsch gesternte zingt dezen vermoeiden pelgrim toe: „na dezen zult gij het verstaan”. Doorwandel dien hof waar de specerijen vloeien en naast deze palm der hoop en die roos des geloofs staat dan de rein witte lelie der liefde!
Liefde — wat zielsgeheim! Zelfs de gewijde hand licht hier de sluier niet op.
Stroomt zij niet uit den ader van 't Goddelijk Wezen. In God is geen geloof, in Hem is geen hoop, maar in God is wel liefde of beter: God is liefde. Geen wonder, dat de Schrift zegt: „en de meeste van deze is de liefde”.
Liefde, die wil uittrekken het oog, die wil afbouwen de hand, die prijs geeft en kruisigt de zondige gezindheid om zichzelf te handhaven! Dat zij meer groeien en bloeien mocht, deze lelie der ware liefde; het kerkelijk leven zou er zoo wèl bij varen, verwijdering en oneenigheid als zoovele symptonen van Satan, worden gedood!
Maar dan worde de bede dringender; „Ontwaak Noordenwind en kom, gij Zuidenwind”.
Eerst de Noorden- dan Zuidenwind!
Die Noordenwind was vooral in Ka-naan van groote beteekenis. Hij zuiverde de lucht van allerlei kwade dampen en zijn harde adem was noodig om boom en gewas tot hooger groeikracht te brengen.
Gods Geest is als de Noordenwind, zuiverend, reinigend, louterend. Het kan, het zal bang stormen. Er waait veel dood hout uit den hof weg; het slaperig Christendom wordt wakker, de baren bruisen en dreigen den bodem onder onzen voet weg te spoelen. „Heere! behoed ons, wij vergaan!”
Maar het is, Gode zij dank, niet altijd de Noordenwind, die giert. Ook de Zuidenwind ruischt, en een vrome in Israël heeft het ons reeds voorgezongen en de kerk van later eeuwen heeft in dienzelfden toonaard het vertolkt:

„Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden 
Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons (doen lijden;
Hij is het, die ons Zijn vriendschap biedt”.

Heerlijk, bezielend geloofsleven. De sterke adem van den Noordenwind niet om te verpletteren, maar om te reinigen, en tegelijk de voorbode van de zachte zoelte uit het stille Zuiden.
O, gedenkwaardige ure. — Onvergetelijk dat suizen van een zachte stilte, in zielsgemeenschap met den Heere gekend. Dat was de Zuidenwind des Geestes, dat was de Trooster, door den Heiland beloofd, dat was de dageraad, die een betere dag des heils ons spelde.
Laat de wereld haar festijnen vieren en bouwen aan haar paleizen der ijdelheid, wij zeggen door het geloof: „Ik heb een andere spijze om te eten, die gij niet keilt”. En wanneer het venster der ziel geopend wordt en het zonlicht des hemels valt naar binnen en de zachte koelte van den Zuidenwind onze ziel streelt, en alles tintelt door den goudglans des Heiligen Geestes, geloof dan maar niet, dat het in die ure vrij moeielijk valt om te juichen:

„Wien heb ik nevens U omhoog.
Wat zou mijn hart, wat zon mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten.”

Dat de bede uit het Hooglied mocht worden het hooglied onzer ziel: „ontwaak, noordenwind en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien”.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.